zaterdag 12 oktober 2013



Het Nieuwe Liedboek andermaal
(Antwoord op de reactie van ds. Bekkenkamp in Kerk & Stad, oktober 2013)

Aardig om eens een reactie te krijgen! Op die manier zou de rubriek Inspraak tot echte dialogen kunnen leiden. Ds. Bekkenkamp reageerde op mijn artikel over Het Nieuwe Liedboek.
Het is voor hem jammer dat mijn opmerking over traditie niet ironisch bedoeld was.  Ik vind zeven liederen uit de Evangelische Gezangen representatief voor die bundel, waarmee de historische traditie in acht wordt genomen. Bovendien is er een keur van liederen uit vooral de Duitse en Engelse klassieke kerkliederen opgenomen en ook dat geeft blijk van gevoel voor traditie.
Op een avond waarbij ds. Endedijk, de voorzitter van de commissie, het Nieuwe Liedboek toelichtte, slaagde hij erin de dilemma’s duidelijk te maken, waarmee de commissie geconfronteerd werd. Hij heeft in ieder geval mijn inzicht verdiept. Hij bond ons op het hart vooral niet te turven welke liederen uit het Liedboek van 1973 niet waren opgenomen. Een van mijn vrienden zei na afloop onmiddellijk dat hij dit wel zou gaan doen. Het resultaat was een aantal van veertig liederen. Maar toen ik hem drie dagen geleden naar de lijst vroeg, waren het er al wat minder. De lijst heb ik nog niet gekregen. Ds. Bekkenkamp komt tot ruim zestig. Ik vraag me af waar dit verschil in telling tussen hem en mijn vriend is ontstaan. Op internet beklaagde een predikant zich dat Meester men zoekt u wijd en zijd niet was opgenomen.  In de dienst die we zondag bijwoonden, liet de predikant Lied 837 zingen en dat bleek tot mijn verrassing een hertaling van het bovengenoemde lied te zijn. Is dit met meer liederen gebeurd? Dan wordt het tellen wel heel moeilijk.

Valerius

Jammer van de Valeriusliederen, inderdaad! Maar toch vraag ik me af hoe frequent die sinds 1973 in diensten gezongen zijn. Mij heugt het niet. Dat zou een argument kunnen zijn. Zijn deze liederen meer van nationaal dan van religieus belang? “Ach blijf met uw genade” heb ik geloof ik voor het laatst gezongen in een zesde klas van de Hervormde gemeenteschool in Utrecht.
Ten Kate kon volgens Frederik van Eeden het rijmen niet laten. Het geliefde De Heer is mijn herder heeft de zuivering overleefd. Ik deel de mening van Van Eeden en dat ene lied lijkt mij genoeg. Waarom ds. Bekkenkamp drie liederen eerder in het Soefisme en de Baghwanbeweging dan in de christelijke traditie vindt passen, is mij een raadsel. Wat voor mystiek islamitische aspecten vindt hij in dit lied? Baghwan laat ik maar buiten beschouwing. Diens opvattingen heb ik nooit serieus kunnen nemen.

Lied 419

Als voorbeeld kies ik Lied 419. “Wonen overal nergens thuis” Dit is geheel in overeenstemming met Fil. 3,20: “Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.” Mijn Christelijk Gereformeerde opvoeders noemden dit wereldgelijkvormigheid, althans het tegendeel daarvan. “aarde mijn aarde mijn moeders huis” vormt een contrast met “aarde mijn hemel mijn vaders huis”. Zo ook “vallende sterren de schim van de maan” met “stijgende sterren de lach van de maan” Het is zo duidelijk dat wij het van deze wereld niet moeten hebben. Is “mensen die opstaan en leven gaan”niet een zinspeling op de verhalen in Matth. 9,1-8, Luc. 13,10-17, Joh. 5,1-15, Hand. 3,1-10?
De tweede strofe schetst het wisselvallige van dit aardse leven: “Niets is hier bestendig”, nietwaar? De derde strofe heb ik al deels behandeld. We zijn bijna thuis. “Mensen die dromend een stem verstaan”, ook weer een directe verwijzing naar Abram die werd opgeroepen uit Ur der Chaldeeën te vertrekken, Jacob (de droom over de ladder), Gideon, Samuel, Ezechiël met zijn droom over de nieuwe tempel, zo verwant aan de droom van Johannes over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, overigens ook al in Jes. 65 twee keer genoemd. En denk eens aan Ps. 126, de bevrijding uit de ballingschap: “Dat zal een droom zijn”, dicht Oosterhuis (Lied 126a).In de Psalmen en de zaligsprekingen is het woord (wel)gelukzalig vervangen door “gelukkig”, eigenlijk geen gelukkige ingreep. Maar het is wel dat geluk dat Oosterhuis in het laatste vers van elke strofe aanduidt. Soefisme? Dit lied zit vol van Bijbelse noties. Ik hoop dat ds. Bekkenkamp zich daar nog eens op bezint.

donderdag 3 oktober 2013



Koert van der Velde, Flirten met God. Religiositeit zonder geloof. Ten Have, 2011

Toen ik de titel zag, dacht ik dat dit het zoveelste vage boekje over wat hij zelf op p. 7 noemt, “…een gezellig, dun en wat oppervlakkiger boekje…” zou zijn. Maar het werd het in de Nacht van de Theologie tot het  op een na beste theologische boek van het afgelopen jaar uitgeroepen en stond ook heel lang in de lijst van vijf meest aangeraden theologische boeken in Trouw. Daarom ben ik het toch gaan lezen en nu kan ik zelf zeggen dat het een knap en verantwoord boek is, de titel ten spijt.
Van der Velde is journalist en studeerde in de jaren tachtig godsdienstwetenschappen en werd daar geconfronteerd met het verschijnsel religiositeit zonder geloof. Hij besloot daar zijn proefschrift aan te wijden. Ik vermoed dat dit boek de gepopulariseerde versie van zijn dissertatie is, maar zelf schrijft hij dit niet. In ieder geval maakt zijn vlotte, journalistieke stijl het lezen van dit boek tot een onderhoudende tijdbesteding.
De centrale vraagstelling kun je formuleren als: “Kan iemand zonder te geloven toch een religieuze beleving ervaren?”. Het antwoord geeft hij eigenlijk zelf al door als begin van het eerste hoofdstuk een eigen religieuze ervaring op de berg Sinaï te beschrijven. Is hij dan ongelovig? Die vraag beantwoordt hij zelf. In H. I behandelt hij een aantal aspecten van het geloofsprobleem. Met instemming citeert hij op p. 27 Anton Houtepen: “Elk spoor van God is zo ambigu dat het evengoed geen spoor van God kan zijn, doch enkel een affectieve invulling mijnentwege of een collectieve projectie onzentwege”. “Openbaringen zijn cultuurproducten” schreef de auteur al op p. 19. De laatste paragraaf van dit hoofdstuk is gewijd aan de reflexieve twijfel en in dit kader noemt hij de “agelovigheid”, die voor hem neerkomt op niet geloven in God, maar ook niet niet-geloven in God.  Geloven is voor veel mensen onmogelijk geworden, maar ondanks dit verlangen zij naar meer dan het dagelijkse leven biedt.
In III beschrijft  hij een aantal houdingen t.a.v. geloven: minimalisme (door de wetenschap is het geloof geminimaliseerd, waarin John Robinson met Eerlijk voor God een belangrijke bijdrage leverde), gelovig ongeloof (Kuitert komt daar aan de orde, de auteur oordeelt niet zo vriendelijk over hem) en ietsisme en agnosticisme.
 Dan volgt er een reeks hoofdstukken die ik niet op de voet kan volgen, hoewel ze zeer de moeite van het lezen waard zijn. Ik noem Transcendentie en Intentionaliteit.  Daarin zijn belangwekkende gedachten verwoord, zoals dat de vraag naar het onbekende, naar dat waarop geen antwoord mogelijk is, transcendentie inhoudt, openheid voor het onbekende en nu nog onmogelijke. Intentionaliteit gaat o.a. over het feit dat mensen tegen beter weten in toch de indruk hebben dat bepaalde gebeurtenissen in hun leven een sturende functie hebben voor hun verdere levensloop.
Uiteindelijk blijkt het element spel heel belangrijk. Door te spelen wordt het gespeelde voor ons werkelijkheid, in ieder geval zolang het spel duurt. Zolang wij aan een kerkelijk ritueel deelnemen beleven wij dit op een religieuze wijze. We komen dan heel dicht bij het door mij besproken boek van Theo de Boer en Ger Groot. De auteur beschrijft hier weer persoonlijke ervaringen, zoals die in de kerk van Vézelay.
Ik heb het boek geboeid gelezen. Als u het ter hand neemt, hoop ik dat u er ruim de tijd voor neemt en niet mijn voorbeeld volgt door het snel te lezen. ik moest wel om deze bespreking tijdig in te sturen. U zulot juweeltjes tegenkomen als de gedachte dat in de dood van God de beleving van zinloosheid manifest is geworden.
Op 28 oktober, ’s avonds om acht uur, komt Van der Velde in Enschede over zijn boek spreken. Dit zal plaatsvinden in het gebouw van de Loge Tubantia aan de Dr. Coppesstraat nr. 32. Wie weet zal ik u daar ontmoeten!
Wim Kleisen

dinsdag 24 september 2013



Sören Kierkegaard, Vrees en beven


Al heel lang geleden las ik voor het eerst iets over Kierkegaard. Met hem werd het begrip ‘absurd’ in één adem genoemd, iets wat pas in de Europese cultuur na WO I terugkwam. Af en toe kwam ik zijn naam weer tegen, maar nooit las ik iets van hem. Onlangs kwam mij een uitvoerige bespreking onder ogen van Luce Ramaker uit de bundel De moed tot het onmogelijke (red. Jan Bor). De titel van de bundel schetst een kernpunt uit het denken van Kierkegaard. Deze bundel heeft eigenlijk de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart als onderwerp, maar die blijkt belangrijke raakpunten met Kierkegaard te vertonen.
Kierkegaard leefde van 1813 tot 1855 in Kopenhagen. Hij verzet zich tegen het heersende rationalisme, waarin de ‘bestaande mens’, de mens in de realiteit dus, alleen de heerschappij van de verstandelijkheid, op wat positief te funderen is. Dat besef leidt tot vertwijfeling, weer een kernwoord bij Kierkegaard.
Biografisch is er makkelijk veel over hem te vinden, de angst van zijn vader voor de eeuwige straf van God, omdat hij in zijn jeugd God vervloekt had, ging over op Sören, de zonder der vaderen wordt immers bezocht aan het derde en vierde geslacht dergenen die God haten? Zijn vader was een self made man. Zijn verloving met Regine Olsen en zijn verbreking daarvan twee jaar later, het is allemaal wel te vinden. Hij was een bekende dandy in Kopenhagen, een bekende verschijning op straat ook, er bestaat een bekende karikatuur. De combinatie daarvan met zijn ongelofelijke productie, tot vijf boeken in één jaar toe. Dit alles leidde tot zijn vroege dood.
Nu naar het boek, Vrees en beven. Gezien zijn grote productie schreef Kierkegaard onder veel pseudoniemen, dit boek staat op naam van Johannes de silentio – zonder hoofdletters -, Johannes spreekt vanuit de stilte. Ik koos het boek, omdat het de binding van Isaac, zoals we dit offer nu noemen, behandelt. Kierkegaard heeft een heel levendige stijl, makkelijk te lezen, maar je moet er je hoofd wel bijhouden, want hij veroorlooft zich veel uitweidingen. Het begint met een voorwoord, waarin hij o.a. schrijft: “Schrijver dezes is geen filosoof, hij heeft het systeem niet begrepen…” Dit slaat op Hegel, wiens idealistische systeembouw Kierkegaard helemaal niet aansprak, evenmin als de rationele twijfel van Descartes, die zijn geloof daarbij behoudt en dus nooit tot vertwijfeling komt. In Stemming vertelt Kierkegaard het verhaal over Abraham en Isaac in eigen woorden, hij legt daarin al bepaalde accenten. De heersende exegese van het verhaal is dat Abraham uit gehoorzaamheid aan de opdracht van God gevolg gaf. Kierkegaard stelt hier vragen bij. Is het zo dat de religieuze opdracht de ethiek op het tweede plan mag zetten? Abraham handelde ten opzichte van Isaac en Sara niet ethisch, geen van beiden vertelde hij wat hij ging doen. hij stelt dan ook de vraag of je altijd moet spreken, of er geen zaken zijn waarover je mag en moet zwijgen. In drie Problemata behandelt hij deze vragen. Ik kan er niet uitgebreid op ingaan, want ik nader de limiet al. Kierkegaard ontkent dat Abraham uit blind geloof handelde. Hij stelt zich als enkeling buiten het algemene, waarbinnen zaken bespreekbaar zijn. Buiten die algemeenheid is zwijgen de enige handelwijze. Dat doet Abraham dan ook. Abraham gaat de paradox binnen, de tegenstelling tussen wat ethisch is en wat hem geboden is. Die paradox leidt tot vertwijfeling. Hij heeft afstand genomen – resignatie is weer zo’n kernbegrip bij Kierkegaard - van wat hem het liefste was en legt dit terug in handen van God. zo ontstaat een nieuwe relatie met God en ontvangt hij terug wat hij heeft opgegeven.
Een uitvoerige bespreking zou Kierkegaard pas recht doen. beschouw dit als een aanzet tot het denken van Kierkegaard. Je zou er bladzijden over kunnen vullen.
Wim Kleisen

Izaäks binding

Abraham,
is Gods stem tot jou gekomen?
't Lijken ons meer boze dromen!
Vraagt Hij Izaäk, je zoon?
Zijn belofte klonk zo schoon.....


Abraham,
toch ga jij aan God nu geven
't allermooiste in je leven;
wat gaat er nu door je heen:
straks voel jij je zo alleen.


Abraham,
wat zal Sara ervan denken
dat je Izaäk terug wilt schenken?
Heb je haar dit wel gezegd?
Vindt een moeder dit wel recht?


Abraham,
eens gegeven blijft gegeven,
Izaäk mag verder leven!
't Volk dat Hij je heeft beloofd,
heeft God niet van jou geroofd.


Abraham,
God vroeg jou je zoon te geven:
niet zijn dood, maar wel zijn leven;
Zijn verbond met jou, zijn vrind,
gaat nu over op je kind.

Wim Kleisen

dinsdag 17 september 2013



Kruyswijk, Hittjo, Baas in eigen Boek? Evolutietheorie en Schriftgezag bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dissertatie


Met deze dissertatie heeft de auteur een leemte gevuld in de geschiedschrijving van de Gereformeerde Kerken in Nederland, de GKN. Kortweg gezegd beschrijft hij de historie van de verhouding tussen theologie en natuurwetenschappen met als belangrijkste thema de evolutietheorie, die hij overigens ‘evolutionisme’ noemde, als zou dit een geloof zijn. Als periode kiest hij de eeuw tussen 1881 en 1981. Hij deelt die in drie fasen in: 1881-1920, de ‘grondlegging’, 1920-1950, de ‘consolidatie’, en 1950-1981, de ‘grote omslag’. De schrijver geeft een objectief verslag, al veroorlooft hij zich in de samenvatting een zin als: “…alsof die tekst door God zelf door de telefoon tot de schrijvers was gesproken.” Hij heeft het dan over de opvatting van A. Kuyper inzake het Schriftgezag. Van evolutie moest deze grondlegger van de GKN en de VU natuurlijk niets weten, hij permitteerde zich alleen de opvatting dat de scheppingsdagen veel langer hebben geduurd dan nu het geval is. Dat was dan al heel wat.  H. Bavinck, zijn opvolger aan de VU, deed daar geen tittel of jota aan af. Er waren wel gereformeerde natuuronderzoekers, maar die kregen geen voet aan de grond.
Dit veranderde, toen aan de VU ook fysica, biologie en astronomie werden gedoceerd. De hoogleraren volgden de toenmalige wetenschappelijke inzichten en spraken soms hun twijfel aan het letterlijke Schriftgezag uit. We zitten dan al in de tweede fase. Theologen die geneigd zijn hun opvattingen te volgen verlaten de GKN en worden Hervormd, anderen, zoals Netelenbos en Geelkerken,  worden uit hun ambt ontzet, wat in het geval van de laatste leidde tot de stichting van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, die later tot de Hervormde Kerk overgingen. Een beroemd prediker als ds. J.J. Buskes, in hart en nieren gereformeerd, ging daarin mee. Ik heb hem nog horen preken in de tijd dat er nog ‘preektijgers’ waren, ik herinner me nog een passage uit de preek over Psalm 23. ook prof. C. van Gelderen steunde de nieuwe inzichten, maar hij schipperde, zodat hij binnen de kerk kon blijven. Hoofdstuk 5, “Het debat natuurwetenschap-theologie over de oergeschiedenis” geeft blijk van een diepgaande studie van de toenmalige opvattingen, die heel helder wordt verwoord. Dit geldt trouwens voor het hele boek. Veel invloed had de studiegroep van theologen en natuurgeleerden met iemand als de bioloog De Gaay Fortman, al leidde de groep maar een kortstondig bestaan. Ook Hoofdstuk 6, “Schepping en Evolutie”, waarin een aantal belangrijke personen in dit debat wordt beschreven, is de moeite waard.
Dan komt Deel III, De Grote Omslag met een uitvoerige inleiding over kerkverlating en secularisatie. Natuuronderzoekers als Sizoo en Lever (Creatie en Evolutie) gaan het debat domineren en de theologen verliezen terrein, ofwel zij gaan mee in de natuurkundige inzichten. Het enige contact met de Hervormde Kerk vond in die tijd plaats. Hervormden als J. Segaar en Gereformeerden als J. Lever troffen elkaar op Woudschoten onder leiding van de legendarische J.M. van Veen. Bij de Hervormden werd natuurlijk ook op de verhouding theologie-natuurwetenschap gestudeerd. De synodale “commissie-Dippel”was daar jaren mee bezig en na het opheffen ervan gingen theologen en natuurwetenschappers verder in het werkgenootschap Atomium, dat tot op heden actief is. Al die tijd, meer dan vijftig jaar, was prof. Dr. H. de Knijff voorzitter, hij is uit dank daarvoor vorig jaar geridderd.
Merkwaardig is dat de theologen (Augustijn, Baarda, Koole, Hartvelt, Kuitert en Wiersinga) nu weer het debat gingen domineren, maar hoe anders dan vroeger. Berkouwer, beïnvloed door Karl Barth, nam een wat andere positie in. Hun opvattingen waren zodanig dat er tientallen bezwaarschriften en protesten bij de synode werden ingediend. Dit leidde in het geval Kuitert tot zijn veroordeling in het synodale schrijven Geen ander fundament, maar daar bleef het ook bij. Aan schorsing en ontzetting uit het ambt werd niet meer gedacht. Zo kwam het tot de huidige situatie, waarin er geen sprake meer is van leergezag, maar waarin juist de subjectieve geloofsbeleving centraal staat.
Dr. Kruyswijk was in zijn werkende leven arts en specialiseerde zich later in de cardiologie. Daarna is hij theologie gaan studeren, een studie die hij nu met deze dissertatie heeft afgesloten. Het is een prachtig boek en veel lezers zullen momenten van een Aha-Erlebnis ondergaan bij het lezen ervan. Stijl en formuleringen zijn helder en zullen de lezing van het boek niet belemmeren. De toespeling in de titel op de feministische slogan “Baas in eigen buik” uit de zestiger jaren is mooi gevonden.

Wim Kleisen

dinsdag 10 september 2013



Mok, Daniël, Rudolf Otto. Het kwetsbare leven. Abraxas, Amsterdam, € 12,50


Er zijn van die boeken die ik altijd al had willen lezen en waar ik nooit aan toe ben gekomen. Een daarvan is Das Heilige van Rudolf Otto. Nu kreeg ik een boekje in handen waarin Otto’s leven en werk worden beschreven en dat heb ik dan maar als compensatie gelezen. Niet als vervanging, want dit boekje wekt juist weer mijn interesse voor dat boek. De kans is groot dat u nooit van Otto hebt gehoord. Toch heeft het grote invloed gehad op de theologie in de vorige eeuw en nu is de belangstelling voor zijn denken alleen maar toegenomen. Zijn boek verscheen in 1917 en in 1918 verscheen Der Römerbrief van Karl Barth. Die boeken waren elkaars tegenpolen. Karl Barth beschreef de goddelijke openbaring als komend “senkrecht von oben”, loodrecht van bovenaf dus. Die openbaring werkte vooral in op het verstand, de ratio. Geloven was dan ook een verstandelijke aangelegenheid. Van gevoelsmatigheid was eigenlijk vrijwel geen sprake. Het was dialectisch, een kwestie tussen twee personen, God en de individuele mens.
Otto ging van een andere beleving uit. Voor hem was een ontmoeting met het heilige – om zijn titel nu maar te gebruiken – huiveringwekkend. Het heilige is voor hem het wezenlijke van welke religie dan ook. De ervaring ervan was vreeswekkend en fascinerend tegelijk. Het heilige is niet te omschrijven, het straalt kracht uit die je kunt ervaren. ‘Numen’ is het woord daarvoor. Die ervaring noemt hij numineus, een door hem bedachte term. Als je van ‘omen’ ‘omineus’ kunt afleiden, kun je bij ‘numen’ ‘numineus’ plaatsen, aldus Otto. Het eerste woord betekent ‘voorteken’, het tweede ‘godheid’. Dit numineuze is een mysterie, een mysterium tremendum, zoals hij dit noemt. Het sacrale is bij hem ook angstaanjagend. Religie is bij Otto dus een gevoelsmatige aangelegenheid, een mens ervaart het transcendente, wat van buiten onze waarneembare werkelijkheid tot ons komt. De beleving ervan staat centraal. Hij werkte volgens de fenomenologische methode, verschijnselen worden zonder (voor)oordeel beschreven, zij moeten zelf tot hun recht komen.
Otto, geboren in 1869 als zoon in het diep-religieuze Luthers orthodoxe gezin van een maltfabrikant, gaat theologie studeren. Hij wil graag predikant worden. Hij reist veel, Azië, Egypte en omringende landen, en maakt daar kennis met andere wereldgodsdiensten. Hij gaat zich intens interesseren voor die godsdiensten en uit die belangstelling komt Das Heilige voort. Daarna schrijft hij veel boeken over die godsdiensten, maar aan dit eerste boek ontleent hij zijn reputatie. Opvallend is dat zijn belangstelling geen goedkope flirt met deze godsdiensten inhield. Hij erkende de waarde ervan, maar bleef zelf zijn christelijke geloof belijden, al had hij zich langzamerhand van het orthodoxe confessionalisme verwijderd. Hij werd hoogleraar, maar zijn zwakke gezondheid bemoeilijkte zijn werk.
Otto werd in de wetenschappelijke wereld zeer gewaardeerd. Er is een brief opgenomen van de grondlegger van de fenomenologie, waarin deze zijn bewondering voor Otto uitspreekt. Er zijn meer van de uitstapjes. Een klein hoofdstuk licht de fenomenologische methode toe. Ook een In Memoriam door de bekende Groningse hoogleraar Van der Leeuw is opgenomen. Daaruit blijkt ook weer de waardering voor zijn persoon en werk. Ook Miskotte waardeerde hem zeer.
Het is weliswaar een dun boekje, ruim honderd bladzijden, maar heel informatief. De eerste hoofdstukken zijn voornamelijk biografisch, maar gaandeweg krijgen we steeds meer informatie over de inhoudelijke kant van zijn werk.
Otto is met zijn Das Heilige een weg ingeslagen, die toen verrassend was en die nu nog niets van zijn waarde verloren heeft.

Wim Kleisen

donderdag 29 augustus 2013



De vorige keer besprak ik The End of Faith van Sam Harris. Ik heb toen toegezegd Ons cultureel draagvlak van prof. Dr. Rudolf Boon te bespreken. Naar mijn gevoelen sluit dit boek van de in een niet-religieus gezin opgegroeide auteur naadloos bij het boek van Harris aan.

Rudolf  Boon is een eminent wetenschapper. Ondanks zijn hoge leeftijd heeft hij dit boek gepubliceerd. Je zou willen zeggen dat het boek een cultuurkritiek is, maar dat is toch niet zo. De ondertitel dekt de inhoud van het boek. Vanuit de vraag hoe het heeft kunnen gebeuren dat onze cultuur zo aangetast is, schreef hij een historisch overzicht. Hij beschrijft een overstelpende hoeveelheid van culturen en denkers. Als je compact wilt lezen wat de kern is van de Grieks-Romeinse beschaving, als je over denkers als Cusanus, Pascal, Voltaire en wie al niet wilt lezen, kun je in dit boek terecht. Toch doe ik het boek ingrijpend tekort, als ik het zo beschrijf. De auteur geeft zelf een handleiding, een richtlijn voor het lezen van dit boek, hij houdt je bij de les. Hij gaat uit van vier hoofdlijnen. De eerste is de vraag hoe de vier culturele componenten die hij als brandpunten van de beschaving in H.1 heeft beschreven, op elkaar hebben ingewerkt. De tweede is die van de voortgaande mentale verwijdering ten opzichte van de klassieke oudheid en de verlichting als cruciaal moment in de West-Europese cultuurgeschiedenis. De derde is de voorbereiding van het ontkersteningsproces, dit proces zelf en het secularisatieproces, het verdere gevolg van de derde hoofdlijn. De vierde is de cathechese van de verguizing, de christelijke fundering van de jodenhaat. De Verlichting biedt voor Boon een toekomstperspectief voor de Westerse cultuur, ook voor het christendom dus. Wij zijn de Verlichting enorm veel verschuldigd. Ik heb de hoofdstukkenindeling grotendeels gevolgd bij deze beschrijving, een inhoudelijke beschrijving is totaal onmogelijk, tenzij ik een stuk zou produceren van een vierde van de omvang van dit boek.
Wat Boon zou willen is een ontmoetingsruimte in West-Europa, dit werelddeel als ontmoetingsruimte beter geformuleerd, waarin “burgers, afkomstig uit verschillende cultuurwerelden, met elkaar kunnen communiceren, elkaar begrijpen en waarderen” (p.244). Hij stelt de belijdende christenen de vraag: “Hoe denkt u de beste tradities in het christendom als onvervangbare verworvenheden van een menselijke samenleving voor cultuurdragers van een andere gezindte overtuigend voor het voetlicht te kunnen brengen? Beheerst u de verschillende taalvelden, waarin uw diepste intenties kunnen worden begrepen”? (p.245) hij wijst erop dat twintig miljoen moslims een door hen verachte cultuur zijn binnengetrokken en dat we de hierdoor veroorzaakte problematiek die van de moslims “een helder antwoord” vraagt “op prangende vragen, welke de islam oproept in de westerse wereld…”. (Boon gebruikt de wat ongelukkige term “mosliminvasie”, die aan Wilders doet denken. Hij schrijft echter elders in dit boek over invasies van joden uit Oost-Europa en het Iberisch schiereiland alsmede van hugenoten, groeperingen die hij zeer positief waardeert. Je mag deze term dus niet in de geest van Wilders opvatten.)
Tot slot volgt H 12, over zaken die grotendeels buiten het gezichtsveld van de Verlichting bleven. Hij noemt in dit verband “de scheppingen van christelijke kunst in oudheid en middeleeuwen”, “de spiritualiteit, opgetast in joodse en christelijke mystieke tradities” (beide citaten op p. 249), en de liturgische viering en de beleving daarvan. “In de taal van gebed, lied en symbool bleven fundamentele mogelijkheden van menselijke expressie behouden in en voor een geseculariseerde samenleving, welke nu met deze mogelijkheden amper raad weet.” (p. 250)
Boon maakt mij bewust van het antwoord op Harris. Ik sta in de christelijke traditie, dat is voor mij niet een kwestie van geloof of ongeloof, maar van beleving, beleving van die zaken die Boon noemt: gebed, lied en symbool, kortom: van liturgie. Zonder dat zou mijn leven aanzienlijk armer zijn. Zo kan het dat ik Harris volkomen gelijk geef in zijn kritiek op religie als bron van gewelddadigheid, maar ook in het deurtje dat hij open laat voor mystiek. Een deurtje dat bij Boon toegang blijkt te geven op een immens grote ruimte van beleving, van liturgische viering, van de cultuur van “gebed, lied en symbool” .
Wim Kleisen