vrijdag 10 januari 2014



Mijn blogs:


Franz Rosenzweig, Stern der Erlösung: http://rosenzweigstern.blogspot.nl/

Besproken boeken:
Guus Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen
Gerard Bodifiee, Nu is de tijd. Over tijdelijkheid en eeuwigheid. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2012
Bernard Wasserstein, Aan de vooravond.  Nieuw Amsterdam, € 44,95
Dr. Tjeu van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn.  Meinema, 5e druk, 2007
Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Theo de Boer & Ger Groot, Religie zonder God. Een dialoog. Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam, 2013
Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Tjarko Evenboer, De wereldwijde vloed. Uitg. Gideon, Hoornaar. € 19,95

Doreen Hazel, Kettingdragers. Narratio, 2013
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Dr. W. Barnard, Eredienstvaardigheid. Prof. dr. G. van der Leeuw-stichting, Amsterdam 1972
Het nieuwe Liedboek, bv Liedboek, 2013
Sam Harris, The End of Faith
Rudolf Boon,  Ons cultureel draagvlak
Mok, Daniël, Rudolf Otto. Het kwetsbare leven. Abraxas, Amsterdam, € 12,50
Kruyswijk, Hittjo, Baas in eigen Boek? Evolutietheorie en Schriftgezag bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dissertatie
Sören Kierkegaard, Vrees en beven.
Koert van der Velde, Flirten met God. Religiositeit zonder geloof. Ten Have, 2011
Het Nieuwe Liedboek andermaal
Bloeme Evers-Emden, Als een pluisje in de wind. Uitgeverij Van Praag, Amsterdam, € 19,95
Carel ter Linden, Wat doe ik hier in Godsnaam? Een zoektocht. De Arbeiderspers, 2013
M. Baigent & R. Leigh, De tempel en de loge. Tirion Uitgevers, Baarn, 2007
Francis Chan met Preston Sprinkle, Bestaat de hel?
Jan Nieuwenhuis, De ziener
Jacques van de Baan, Serpent. Den Hertog, Houten. € 19,95
Andries Hoogerwerf, De politiek en de dood. Oorlog en vrede opnieuw bezien. Damon, € 20.90
Andries Hoogerwerff, Haat tegen minderheden
Gerard Aalders, Gevecht met de tijd. Hoe de aarde in 4 eeuwen 4 miljard jaar ouder werd. Uitg. Aspekt, 2013, € 1895
J.M. Coetzee, Elizabeth Costello


J.M. Coetzee, Elizabeth Costello


Meer een ideeënroman dan een epische roman. T. van Deel publiceerde in Trouw (26 juli 2003) een mooie recensie, waarin hij het zwaartepunt legt bij schrijven en tekst. Ik blijf daar van af, want het heeft geen zin dat te herkauwen. Mij viel wat anders op. je kunt ook zeggen dat in elk hoofdstuk een vorm van liefde en mededogen aan de orde wordt gesteld. In Hoofdstuk 1 gaat het om de liefde, het mededogen, voor dieren. Hiervoor is inlevingsvermogen voor de positie van het dier nodig.
Het tweede hoofdstuk gaat inderdaad over “de” roman. Maar aan het slot vind je toch interessante ideeën over de liefde tussen man en vrouw. Waarom gaat de Russische zangeres met de Afrikaanse schrijver naar bed? Liefde? Ze vindt hem goed en huivert bij het horen van zijn stem. Dat is het wel. Erotiek kan een magere bodem hebben.
In Hoofdstuk III is ze op bezoek bij haar zuster Blanche, die non is en haar hele leven heeft gewijd aan Afrikaanse zieken. Ze krijgt daar een eredoctoraat in de litterae humaniores. Ze verwijt in haar dankwoord dat men de tekstwetenschap, daar ligt het accent op de bijbelteksten, verwart met de humaniora, die toch over mensen zou moeten gaan. Zij pleit voor de studia humanitatis. Met haar zuster heeft ze een haast pijnlijk gesprek naar aanleiding van Joseph, een Afrikaanse kunstenaar die zijn hele leven lang kruisbeelden heeft gemaakt. Lijden staat centraal in het christelijk geloof, aldus Blanche. Thuisgekomen gaat ze op verzoek van haar moeder naar een vriend van haar moeder, een oud, gepensioneerde advocaat, die een keeloperatie achter de rug heeft, niet meer spreken kan en aquarelleert. Zij wil wel model voor hem staan en doet dit ook. Op zijn suggestie ontbloot ze zelfs haar bovenlichaam om zich met naakte borsten te laten schilderen.
“In al ons gepraat over humanisme en de humaniora zijn we steeds één woord uit de weg gegaan: humaniteit. Als Maria, de gezegende onder de vrouwen, haar afstandelijke, engelachtige glimlach toont en haar zoete, roze tepel met haar vingertoppen beroert, als ik, haar navolgend, mijn borsten ontbloot voor de oude mijnheer Phillips, dan verrichten wij daden van menselijkheid. Dat kunnen dieren niet doen, die kunnen zich niet ontbloten, omdat ze zichzelf niet kunnen bedekken. Niets dwingt ons ertoe het te doen, Maria of mij. Maar vanuit de overvloed, vanuit onze overstromende mensenharten, doen we het toch; we laten onze bovenkleding zakken, ontbloten onszelf, onthullen het leven en de schoonheid waarmee we gezegend zijn.
Schoonheid. Met die overvloed aan onbedekte lichamen om naar te kijken, daar in Zoeloeland, zul je toch moeten toegeven, Blanche, dat er menselijk gesproken geen grotere schoonheid bestaat dan de borsten van een vrouw. Menselijk gesproken is er geen grotere schoonheid, geen mysterieuzere zeggingskracht, en dat is de reden waarom mannen die vreemde, ronde vetkwabben steeds weer willen liefkozen, met een verfkwast of een beitel of met de hand, en nieys is menselijk gesproken zo vertederend als onze medeplichtigheid (ik bedoel de medeplichtigheid van vrouwen) met hun obsessie.” (p. 117).
Als hij op zijn sterfbed ligt, bezoekt ze hem nog met een zekere regelmaat. Eens bedankt hij haar op zijn blocnote, hij kan niet meer praten, voor wat zij toen deed. Als reactie doet zij het nog een keer. “Het gaat nog zo lang door dat zij, de vrouw, tijd heeft om haar hand terloops op het dekbed te leggen en heel voorzichtig over de plek te wrijven waar het geslachtsorgaan, als het geslachtsorgaan levendig en vief was, zich zou moeten bevinden, en om vervolgens, als er geen reactie volgt, het dek opzij te slaan, en het koord los te maken van meneer Phillips’ pyjama, een oudemannenpyama zoals ze in jaren niet heeft gezien – ze had niet gedacht dat die nog in de handel waren – die van voren open te maken, een kus te drukken op het volkomen slappe dingetje, het in haar mond te nemen en eraan te zuigen totdat het langzaam enigszins tot leven komt.” (p. 121). Dit is liefde, gecombineerd met mededogen. Dat is voor Coetzee blijkbaar heel belangrijk. Geen liefde voor het lijden, voor Jezus en daarom voor mensen, nee, onmiddellijke, niet afgeleide liefde uit mededogen.
In het volgende hoofdstuk houdt ze in Amsterdam een lezing over het kwaad. Ze heeft daarin kritiek op de auteur Paul West, die zeeg gedetailleerd de executie van Von Stauffenberg en de zijnen beschreef, met alle verschrikkelijke details. Ze keurt dit af: ze is van mening dat je beschadigd kunt raken, als je dit schrijft, en als je dit leest. Uit mededogen zou je die details achterwege moeten laten. De kern staat in de voorlaatste alinea. Ik citeer de eerste en de laatste zin hieruit: “Vreemd hoe ze, naarmate de begeerte zijn greep op haar lichaam verliest, steeds duidelijker een universum ziet dat door begeerte wordt geregeerd.” En: “Ook het allernietigste, ook het allerlaatste wordt aangesproken door de liefde.”
Het laatste hoofdstuk, Zes, heet “Aan de poort”. De allusie op Kafka, wiens naam al in het eerste hoofdstuk viel, is duidelijk. Elizabeth staat voor de poort, maar om er door te kunnen moet ze een geloofsverklaring schrijven. Dat wil ze niet en ze komt voor de rechter. Zij noemt zich een secretaresse van het onzichtbare en als secretaresse kun je je geen geloof permitteren. Zij moet een stem geven aan mensen. Zij moet gehoor geven aan stemmen die tot haar komen. De rechter sluit de zitting af met de woorden: “U hoort van ons.” Uiteindelijk gaat ze een verklaring schrijven, maar daar zal in geschreven worden wat ze al gezegd heeft. Dan komt ze weer voor de rechtbank en leest haar verklaring voor.
Het boek heeft een open einde, het wordt afgesloten zonder dat Elizabeth door de poort is getreden, maar op de laatste bladzijden is er veel van het begerenswaardige ervan verdwenen. Dan volgt er een brief van Eilizabeth C. (Lady Chandos) aan Francis Bacon, waarin zij zich beklaagt over het lijden, het bittere lot, van haar en haar man Philip.

vrijdag 3 januari 2014



Mijn blogs:


Franz Rosenzweig, Stern der Erlösung: http://rosenzweigstern.blogspot.nl/

Besproken boeken:
Guus Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen
Gerard Bodifiee, Nu is de tijd. Over tijdelijkheid en eeuwigheid. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2012
Bernard Wasserstein, Aan de vooravond.  Nieuw Amsterdam, € 44,95
Dr. Tjeu van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn.  Meinema, 5e druk, 2007
Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Theo de Boer & Ger Groot, Religie zonder God. Een dialoog. Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam, 2013
Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Tjarko Evenboer, De wereldwijde vloed. Uitg. Gideon, Hoornaar. € 19,95

Doreen Hazel, Kettingdragers. Narratio, 2013
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Dr. W. Barnard, Eredienstvaardigheid. Prof. dr. G. van der Leeuw-stichting, Amsterdam 1972
Het nieuwe Liedboek, bv Liedboek, 2013
Sam Harris, The End of Faith
Rudolf Boon,  Ons cultureel draagvlak
Mok, Daniël, Rudolf Otto. Het kwetsbare leven. Abraxas, Amsterdam, € 12,50
Kruyswijk, Hittjo, Baas in eigen Boek? Evolutietheorie en Schriftgezag bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dissertatie
Sören Kierkegaard, Vrees en beven.
Koert van der Velde, Flirten met God. Religiositeit zonder geloof. Ten Have, 2011
Het Nieuwe Liedboek andermaal
Bloeme Evers-Emden, Als een pluisje in de wind. Uitgeverij Van Praag, Amsterdam, € 19,95
Carel ter Linden, Wat doe ik hier in Godsnaam? Een zoektocht. De Arbeiderspers, 2013
M. Baigent & R. Leigh, De tempel en de loge. Tirion Uitgevers, Baarn, 2007
Francis Chan met Preston Sprinkle, Bestaat de hel?
Jan Nieuwenhuis, De ziener
Jacques van de Baan, Serpent. Den Hertog, Houten. € 19,95
Andries Hoogerwerf, De politiek en de dood. Oorlog en vrede opnieuw bezien. Damon, € 20.90
Andries Hoogerwerff, Haat tegen minderheden
Gerard Aalders, Gevecht met de tijd. Hoe de aarde in 4 eeuwen 4 miljard jaar ouder werd. Uitg. Aspekt, 2013, € 1895



Gerard Aalders, Gevecht met de tijd, Uitg. Aspect, 2013, € 18,95

Hoe oud is de aarde? Die vraag heeft wetenschappers in alle tijden bezig gehouden. Althans, voor zo ver zij niet uitgingen van een cyclisch verloop: opkomst, groei naar hoogtepunt, ondergang en nieuw begin. Dit hield in dat alleen het jodendom in de oudheid een begin van de wereld als zekerheid aannam, een begin duidelijk als initiatief van God, de Schepper van hemel en aarde. De nog steeds gehanteerde joodse jaartelling getuigt hiervan: we leven nu in 5774 na het begin van de wereld.
In de christelijke wereld van de zestiende eeuw geloofde men heilig in de historiciteit van de Bijbel. De vraag naar de ouderdom van de aarde werd op die grond door James Ussher, bisschop van Armanagh in Ierland, na een studie van jaren, die inhield dat hij vele, vooral Bijbelse, manuscripten bestudeerde, ‘definitief’ vastgesteld: God begon zijn scheppingswerk op zondag 22 oktober van het jaar 4004 v. Chr. De wereld zou nu dus 6017 jaren oud zijn.
Maar definitief was die conclusie toch niet. De astronomen Copernicus, Brahe, Galileï en Kepler kwamen tot de conclusie dat de aarde niet de centrale plaats in het heelal innam, die theologen haar hadden gegeven. Dit was de eerste schok die de wetenschap het christelijk geloof toebracht. De twijfel aan het gebeuren van een wereldwijde zondvloed kwam op: waar kwam al dat water vandaan?
Gerard Aalders geeft in dit boek een boeiende beschrijving van de wetenschappers die zich richtten op de leeftijd van de aarde en de kosmos. Moeilijke zaken kan hij eenvoudig beschrijven zonder al te veel te simpliciferen. Ik kwam veel te weten wat ik nog niet wist. Terwijl Ussher studeerde en met zijn resultaten kwam, stuurde het Vaticaan ene Martini naar China om de Chinezen te bekeren. Dat lukte van geen kant, Martini begon integendeel te twijfelen: hij bestudeerde de kronieken van de keizers, die teruggingen tot de tijd voor het jaar waarin de zondvloed zou hebben plaatsgevonden. Maar een dergelijke overstroming kwam in die kronieken niet voor.
U moet natuurlijk zelf het boek lezen, wil u alle ontwikkelingen te weten komen. Ik kan alleen maar een paar gegevens er uitlichten. Zo het feit dat John Webb vaststelde dat God Chinees had gesproken op grond van de ouderdom van de Chinese cultuur en de door hem vermeende overeenkomsten tussen de Chinese en Hebreeuwse lettertekens. Isaac Newton hield zich ook al met de Bijbelse chronologie bezig en ontdekte een aantal tegenstrijdigheden.
Pas de geologen kwamen echt met bewijzen dat de Bijbelse historiciteit niet klopte. De aardlagen met de fossielen gaven een heel ander beeld. Pas na 1800 breken wetenschappers dan met het geloof in de historiciteit van de Bijbel. Pogingen om de tijdsduur van dagen voor de Bijbelse beschrijvingen te verlengen, zetten niet veel zoden aan de dijk. Het werd een dijkdoorbraak zonder meer. De wiskundige Laplace schijnt al eens tegen Napoleon te hebben gezegd dat hij buiten de hypothese ‘God’ kon. Charles Lyell breekt in dezelfde eeuw met het geloof in een goddelijke interventie in de natuurwetten. Toen waren ook biologen in navolging van Darwin al actief in het denken over de leeftijd van de aarde. Lord Kelvin bestreed Lyell op grond van zijn opvattingen over thermodynamica, maar kwam uiteindelijk toch ook met een onbijbelse conclusie: de aarde zou 20 miljoen jaar geleden vaste vorm hebben gekregen. Maar Ernest Rutherford haalde die schatting al tijdens Kelvins leven overhoop op grond van zijn studie van röntgenstraling. Hij kwam uit op 5oo miljoen jaar. De radiometrie, metingen op grond van een radio-actieve straling volgde al snel en de schattingen werden steeds hoger. Boltwood kwam met 2,2 miljard jaar, Holmes met 1,3 – 3 miljard jaar. Rutherford’s schatting bedroeg in tweede instantie 3,4 miljard jaar, die van Patterson zelfs 4,55 miljard jaar en in 1956 corrigeerde Holmes dit weer naar 3,45 jaar. Dat getal wordt nu nog aangehouden, al las ik laatst een getal van 3,75 jaar. Ach, wat meer of minder…
Aalders besteedt tot slot aandacht aan de opvattingen van creationisten – in Amerika heel sterk vertegenwoordigd – en aanhangers van Intelligent Design. Interessant hoe deze mensen zich blijven vastklampen aan een letterlijke opvatting van de Bijbel.