dinsdag 16 september 2014

Guus Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen, deel 2, De uittocht en de intocht

In februari 2013 besprak ik het eerste deel van dit boek. Ik schreef o.a: “De ondoorgrondelijkheid van God die naar voren komt in al deze Bijbelse verhalen, leidt bij lezers en hoorders tot onbegrip. Dat uit zich in de vragen en de spot, die Kuijer duidelijk inbrengt in zijn verhalen.” Dezelfde benadering zien we ook hier weer, maar de spot klinkt minder door in dit tweede deel, af en toe wordt het bitterheid.
Kuijer vertelt de verhalen van Thermutis, de Egyptische prinses die Mozes uit het water redde, van Mered, de jood die niet in God gelooft, en van Jaël, de richteres die Sisera een tentpin door zijn hoofd sloeg. Het boek Richteren is dus bij de uittocht, zoals Kuijer die beschrijft, inbegrepen.
Thermutis is een Egyptische, dat wil zeggen dat zij vreemd aankijkt tegen het jodendom en de God van de joden. Dit verhaal beslaat meer dan de helft van het boek. Kuijer past de leeftijd van Mozes een beetje aan. Hij is twintig jaar, als hij uit Egypte wegvlucht, en dertig als hij terugkomt. Dat is niet, zoals de Bijbel het vertelt, maar toch niet onlogisch, want Mozes keert met jonge zoons terug. Thermutis vertelt ons hoe Mozes na zijn terugkeer bij Farao komt en met Aäron zijn eisen stelt. Naarmate de tien plagen vorderen, verliest zij haar begrip: moet dat nou met zoveel leed gepaard gaan? De diepe liefde die zij Mozes toedraagt, brengt haar ertoe bij Jochebed in huis te gaan wonen. Die verandert haar naam in Bitja, d.i. “dochter van God”. Daar beleeft zij de plagen van en met die van de vliegen. Jochebed werkt in het huis van een rijke Egyptische en wordt daar als gelijkwaardig behandeld. Nephtys, zoals ze heet, heeft één zoon, Opkara. Ook hij wordt als eerstgeborene omgebracht. Noch Jochebed, noch Bitja kunnen dit accepteren. Zeker niet omdat de vriend van Mozes, Mered, hem heeft omgebracht. Kuijer laat namelijk deze plaag niet als wonder, maar als terroristisch geweld plaatsvinden.
Bitja trekt mee met de uittocht. Inmiddels is ze met Mered getrouwd, die zegt dat hij niet in God gelooft. Hij zegt: “Ik ben de dwaas die zegt: er is geen god. Het is de mens die zichzelf het denken verbiedt omdat hij alleen wil luisteren naar de stem van zijn duistere hart.” Dat wordt natuurlijk boeiend, want Mozes zegt en doet veel dingen namens God. Als Mozes na de slag tegen Amalek zegt: “God is mijn banier”, zegt Mered: “God is de vlag waar mensen achteraan lopen.” Als na de geschiedenis van het gouden kalf Mozes de Levieten drieduizend mensen laat doden, breekt er iets bij Bitja en Mered. Mozes zegt dat dit Gods wil is, maar zij aanvaarden dit niet. En wij, Bijbellezers, moeten constateren, dat nergens in Ex. 32 staat dat God dit Mozes gebood. Kuijer heeft nauwkeurig gelezen.
Als Bitja sterft, blijft de veel jongere Mered verbitterd achter. Mozes kiest Jozua tot zijn opvolger, die in de slag tegen Amalek geen rol speelde, terwijl Mered aanvoerder was. Mered kan het gezag van Jozua niet aanvaarden. Dit leidt tot wrijving. Hertrouwen wil hij niet. Hij is een van de verspieders die door Rachab gered worden. Hij levert en wint de slag tegen Ai, maar de dood van Achan wijst hij af. Bijna iedereen heeft geplunderd, het door Jozua geworpen lot is dus altijd raak. Hij verlaat het leger en vestigt zich als boer. Hij zweert zijn strijdlust af en wil vredelievend leven en noemt zich Salma, hij is een ander geworden.. Uiteindelijk accepteert hij de liefde van Rachab en wordt hij de vader van Boaz (zie Matth. 1,5).

De derde vertellende hoofdpersoon is Jaël, de Kenitische, die, zoals gezegd, Sisera doodde. Wat niet in Richteren staat vertelt Kuijer: zij was Sisera’s geliefde, maar die had haar laten zitten. Haar wraak is zoet. Kuijer komt er rond voor uit dat hij nu een kunstgreep toepast: hij laat Jaël meer dan tweehonderd jaar oud worden, waardoor zij de verhalen van Gideon, Jefta en Simson laat vertellen. Vooral het laatste wordt uitvoerig beschreven. Simson, de mislukte verlosser, die Juda niet meekrijgt, ook op grond van zijn doldrieste daden. Uit verbittering daarover laat hij zich door Delila overleveren. Dat Kuijer de bijbelse geschiedenis zo vertekent, zij hem vergeven, hij is nu eenmaal een geboren verteller.

maandag 1 september 2014

Besproken boeken:

 Guus Kuijer, DE BIJBEL voor ongelovigen
 
Gerard Bodifiee, Nu is de tijd. Over tijdelijkheid en eeuwigheid. Uitgeverij Davidsfonds, LEUVEN 2012
 
Bernard Wasserstein, Aan de vooravond Nieuw Amsterdam, € 44,95
 
Dr. Tjeu van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn.  Meinema, 5e druk, 2007
Herman M. van PRAAG, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Theo de Boer & Ger Groot, Religie zonder God. Een dialoog. Uitgeverij Sjibbolet, AMSTERDAM, 2013
Herman M. van PRAAG, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, AMSTERDAM, 2008
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Tjarko Evenboer, De wereldwijde vloed. Uitg. Gideon, Hoornaar. € 19,95
Doreen Hazel, Kettingdragers. Narratio, 2013
 Dr. W. Barnard, Eredienstvaardigheid. Prof. dr. G. van der Leeuw-stichting, Amsterdam 1972
Het nieuwe Liedboek, bv Liedboek, 2013
Sam Harris, The End of Faith
Rudolf Boon,  Ons cultureel draagvlak
MOK, Daniël, Rudolf Otto. Het kwetsbare leven. Abraxas, Amsterdam, € 12,50
Kruyswijk, Hittjo, Baas in eigen BOEK? Evolutietheorie en Schriftgezag bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dissertatie
Sören Kierkegaard, Vrees en beven. 
Koert van der Velde, FLIRTEN met God. Religiositeit zonder geloof. Ten Have, 2011
Het Nieuwe Liedboek andermaal
Bloeme Evers-Emden, Als een pluisje in de wind. Uitgeverij Van PRAAG v:shapes="_x0000_i1038">, Amsterdam, € 19,95
Carel ter Linden, Wat doe ik hier in Godsnaam? Een zoektocht. De Arbeiderspers, 2013
M. Baigent & R. Leigh, De tempel en de loge. Tirion Uitgevers, Baarn, 2007
Francis Chan met Preston Sprinkle, Bestaat de hel?
Jan Nieuwenhuis, De ziener
Jacques van de BAAN v:shapes="_x0000_i1039">, Serpent. Den Hertog, Houten. € 19,95
Andries Hoogerwerf, De politiek en de dood. Oorlog en vrede opnieuw bezien. Damon,€ 20.90
Andries Hoogerwerff, Haat tegen minderheden
Gerard Aalders, Gevecht met de tijd. Hoe de aarde in 4 eeuwen 4 miljard jaar ouder werd. Uitg. Aspekt, 2013, € 1895
J.M. Coetzee, Elizabeth Costello
Martin Buber, De vertellingen van Rabbi Nachman
Daniel Hecht, Geestdrift
Palmyre Oomen en Taede Smedes, Evolutie, Cultuur en Religie. Perspectieven vanuit biologie en theologie. Kampen, 2010
Ds. Kees Bergström, Met andere ogen, Schriftgeleerd de BIJBEL LEZEN v:shapes="_x0000_i1040">.
Gooibergpers, Bussum u4:shapes="_x0000_i1027" u5:shapes="_x0000_i1029" v:shapes="_x0000_i1041">, 2010
Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen
Ellen van Wolde, Bijbelse scheppingsverhalen. IN: Palmyre Oomen en Taede Smedes (red.), Evolutie, cultuur en religie
Tjeu van den Berk, Het oude EGYPTE v:shapes="_x0000_i1042">: bakermat van het jonge christendom, Zoetermeer, 20132 
Eugen Drewermann, Als de goden sterren waren...
Elie Wiesel, Mijn liefde u4:shapes="_x0000_i1028" u5:shapes="_x0000_i1030" v:shapes="_x0000_i1043"> voor de Talmoed  
Chaim Potok, In the Beginning
Bart Voorsluis, Ongekend nieuwgierig
Dr. S.D. Post, Duivels dichtbij
BETTINE Siertsema (red.), De verhalen rond de aartsvaders, Kok, Kampen, 1995
Gerrit ten Berge, Stap voor Stap
Frans Kellendonk, Mystiek lichaam
Gerhard Vollmer, Auf der Suche nach der Ordnung
John Piper, Verlangen naar God

Norman Geisler en Frank L. Turek, Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn
Ton de Kok, Wat is God?



Ton de Kok. Wat is God? Filosofen & schrijvers op zoek. Bussum, 2013

In het Boek der 24 Filosofen, dat aan Hermes Trismegistus is toegeschreven, lezen we over 24 filosofen die, elk voor zich,  een antwoord zoeken naar de vraag: “Wat is God?” Zo krijgen we 24 antwoorden op die vraag, zoals “God is de monade, die een monade voortbrengt, terwijl zij haar innerlijke gloed reflecteert.” Een ander antwoord: “God is een oneindige sfeer, waarvan het midden overal en de omtrek nergens is.” Een derde antwoord: “God is datgene, waarover men eerder datgene te weten komt wat hij niet is, dan wat hij wel is.” Er bestaat een Duitse vertaling van dit geschrift, die ik zeker wil gaan lezen. De drie geciteerde antwoorden leveren al veel stof tot nadenken.
Ton de Kok wist bij het schrijven van dit boek niet van het bestaan ervan. Had hij er wel kennis van genomen, dan had hij het zeker vermeld. Misschien had u eerder de vraag: “Wie is God?” verwacht, maar De Kok doet dit niet, evenmin als de 24 filosofen en Kant in zijn vraag: “Was ist der Mensch?”. Een van de in dit boek behandelde denkers stelt ook dezelfde vraag: “Wat is God?” De Kok heeft er meer dan 25 filosofen op nagelezen en behandelt hun denken over God in afzonderlijke hoofdstukjes. Soms kiest hij een hele stroming, zoals de scholastiek en in één geval neemt hij er een paar tegelijk. Hij slaagt erin wat een denker over God zegt, zeldzaam helder en begrijpelijk uiteen te zetten zonder de stof te simplificeren. Hij is een geboren docent, wat hij dan ook is. Daarvoor heeft hij heel veel andere beroepen uitgeoefend: zoals marinier en Tweede Kamerlid.
Ook hier treffen we mooie antwoorden aan, zoals meteen al van Thales van Milete: “God is dat wat geen begin en einde heeft.” Net als bij ons kwamen bij de oude Grieken al gelovigen en ongelovigen voor. Democritus en Lucretius, de laatste eigenlijk al geen Griek meer, behoren tot de laatste groep. In de Middeleeuwen ligt dit natuurlijk anders. Het was in het Heilige Roomse Rijk onvoorstelbaar om niet in God te geloven. Anselmus van Canterbury en Thoman van Aquino, probeerden zelfs godsbewijzen te construeren. Die kunnen ons niet meer overtuigen. Pas na de Middeleeuwen verdwijnt het rotsvaste geloof, later komen ook weer atheïsten voor, zoals Voltaire, Kant en Nietzsche. De vaak voor atheïst uitgemaakte Spinoza wordt niet overgeslagen. De Russische filosofie is een vergeten gebied. De Kok kiest toch Sjestov en Berdjajew, die zeker een verrijking van het boek opleveren. Het is ook nog eens mooi om te lezen hoe hij Sjestov in zijn 5-vwo-klas heeft behandeld. Je zou je kinderen en kleinkinderen zo’n docent graag gunnen.
Er is één persoon waar De Kok geen raad mee weet: Meister Eckhart. Hij vindt diens religieuze gedachten en “speculaties” zelfs “behoorlijk duister”. Dat is jammer, want Eckhart verdient beter. De Kok heeft naar mijn mening de fout gemaakt om Eckhart te lezen zoals hij dit deed met alle beschreven denkers. Maar voor Eckhart heb je een andere insteek nodig. Hoewel hij zijn ideeën behoorlijk rationeel verkondigt, is hij een mysticus, geen denker. Hij heeft een mystieke theorie ontwikkeld, die met al of niet dogmatisch geloof weinig te maken heeft. Eckhart heeft verrassend veel gemeen met Zen, zo concludeerden Japanse zenmeesters.
Laat u door deze kritiek niet weerhouden dit boek te lezen. het is ondanks de theoretische stof zeldzaam boeiend. De Kok schrijft meeslepend over veel filosofen en bovendien schrijft hij in een tweede deel ook nog eens over een aantal auteurs en de opvattingen van hun hoofdpersonen of ook wel van henzelf over God. Ik mis wel pijnlijk Dostojewski, die toch in Demonen en De gebroeders Karamazov indringend over God schrijft. Maar iedereen heeft nu eenmaal zijn eigen favorieten. Dat is ook niet erg.
Evengoed heeft De Kok gigantisch veel werk verzet. Van alle behandelde auteurs heeft hij minstens één boek gelezen. Maar je moet natuurlijk ook begrijpen wat je leest en het dan ook weer bevattelijk kunnen beschrijven. Het is hem allemaal gelukt. Daarvoor mogen we hem dankbaar zijn.
Wim Kleisen

zaterdag 24 mei 2014

Norman Geisler en Frank L. Turek, Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn

In 2006 plaatste ik op mijn toenmalige weblog een bespreking van dit boek. Dit bericht heeft de meeste reacties op mijn weblog opgeleverd. Het waren er heel veel en het ging jarenlang door. Uiteindelijk stierf de weblog een zachte. maar toch wat trieste dood als gevolg van de vele 'verhuizingen' naar andere uitgevers. De voorlaatste verhuizing veroorzaakte voor tekens als bijvoorbeeld de 'ä' de gekste tekens op. De laatste verhuizing moest ik zelf uitvoeren. De instructies waren zo moeilijk dat de verhuizing mislukte. De weblog verdween van internet. Gezien alle reacties lijkt het me aardig de bespreking, hoewel het boek waarschijnlijk al lang niet meer te koop is, op deze plek opnieuw te plaatsen.

Laat ik maar beginnen met het slechtste boek dat ik in jaren heb gelezen: Norman Geisler en Frank L. Turek, Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn. De titel is niet grappig, maar serieus bedoeld. Volgens de auteurs kost het meer aan geloof om atheïst dan om christen te zijn. Intelligent Design pretendeert een wetenschapsrichting te zijn, maar heeft zich in de USA met het zwartst denkbare bijbels fundamentalisme verbonden. Daardoor blijkt ID geen wetenschapsrichting, maar een geloofsopvatting te zijn. Daarvan getuigt dit boek. In de Inleiding wordt al geponeerd dat de bijbel van kaft tot kaft historisch betrouwbaar is, alsof het om een geschiedenisboek zou gaan en niet om een reeks boeken vol menselijke ervaringen, die religieus zo boeiend zijn dat ik er na al die jaren nog door geboeid word. De auteurs hanteren een door hen zelf ontwikkelde methode om theorieën, waarmee zij het niet eens zijn, te weerleggen. Ze noemen die de Road Runner tactiek. Het gaat er om dat een theorie zichzelf weerspreekt, als zij niet aan haar eigen voorwaarden voldoet. In de praktijk komt het erop naar dat zij de theorie eerst zodanig versimpelen, dat die denkbeelden vervolgens inderdaad op die manier te weerleggen zijn. Dat doen zij bijvoorbeeld met de ideeën van David Hume. De lust ontbreekt mij om daar inhoudelijk op in te gaan. Het wordt alles zo simpel gemaakt.
De auteurs bestrijden een complex geheel van wetenschappelijke opvattingen, dat zij onder de noemer “darwinisme” onderbrengen. Uiteindelijk komt het er op neer dat zij twee wetenschappen onderscheiden: goede en slechte. In de laatste categorie brengen zij feitelijk alles onder wat niet Intelligent Design is. Dawkins bijvoorbeeld zou een slechte wetenschapper zijn. De auteurs maken het helemaal bont, als zij dragers van deze opvattingen samen met de voorstanders van abortus – over de in de USA nog steeds wettige doodstraf wordt niet geschreven – op één lijn stellen met Hitlers fascistische overtuiging.
Dan komt de bijbel aan bod. Die bevat dus niet anders dan historisch juiste feiten. Jezus heeft dit volgens hen zelf verkondigd. Ik heb altijd gedacht dat Jezus het Koninkrijk Gods als hier en nu gekomen verkondigde, maar daar hebben zij het niet over. Zijn boodschap van vrede en gerechtigheid, aansluitend op Tenach, het Oude Testament, komt evenmin ter sprake. In het Nieuwe Testament wordt volgens de auteurs vervuld wat in het Oude Testament is geprofeteerd, dus ook Jezus’ leven is geheel waar, zoals het in de evangeliën is beschreven. De verschillen tussen de synoptische evangeliën en het Evangelie naar Johannes komen niet ter sprake. Zij verwaarlozen ook de onder theologen algemeen gangbare opvatting dat de auteurs van de evangeliën in hun verhalen de lijn van het Oude Testament wilden voortzetten en dus teruggrepen op dat Oude Testament. Het jodendom is volgens hen dan ook een onvolkomen godsdienst.
Een uitlating als “… en vaak zetten ze zichzelf neer als volslagen debielen …” (p. 348) is buitengewoon grof en als zodanig ongewenst. Over mensen met een geestelijke handicap spreken we anders en we gebruiken de aanduiding voor hun handicap niet als scheldwoord. Wat ook grof is, is de insinuatie op p. 469. De auteurs noemen theologen die een andere opvatting over de historische juistheid van de bijbel critici. Op zichzelf is dit al aanvechtbaar. Maar de auteurs insinueren dat die “critici” in hun hart wel beter weten, maar dat ze, als ze hun hart zouden volgen, hun makkelijke leventje volgens fundamentalistische normen zouden moeten inrichten. Dat willen ze niet en daarom blijven ze hun opvattingen verkondigen. Dat is toch ongehoord!
Zo gaat het in dit boek 515 bladzijden door op een betweterige en gelijkhebberige toon. Zonde van mijn tijd was het om dit allemaal te lezen. Overigens: wie niet gelooft in de opvattingen van de auteurs, komt gegarandeerd in de hel. We zijn gewaarschuwd….. het gaat in dit boek om de letter en niet om de geest, om de leer en niet om het leven. Het is een verschrikkelijk boek. Voorstanders van abortus en euthanasie zijn volgelingen van Hitler, aldus de auteurs.
Tot mijn grote verbazing staat op de achterflap een aanbeveling van prof. Dr. Cees Dekker, hoogleraar moleculaire biofysica aan de TU Delft. Hij schrijft daar o.a.: “Geisler en Turek argumenteren dat een christelijk wereldbeeld een veel betere beschrijving geeft van de werkelijkheid dan een atheïstische visie, een stelling waar ik van harte mee instem. Ik kan het boek aanraden voor christenen die hun geloof rationeel beter willen onderbouwen, maar zeker ook aan de sceptische atheïst die meent dat de wetenschap God allang heeft wegverklaard.” Afgezien van het feit dat ik tussen “al” en “lang” en “weg” en “verklaard” spaties zou aanbrengen, moet mij toch van het hart dat Cees Dekker zijn integriteit als wetenschapper, zowel als zijn geloofwaardigheid als mens op de tocht zet. Zo’n zwart fundamentalistisch boek met zulke eenzijdige bewijsvoeringen kun je toch met goed fatsoen niet aanbevelen. Zou Cees Dekker werkelijk Dawkins als slechte wetenschapper beschouwen? Zou hij werkelijk geloven dat God op Jozua’s verzoek zon en maan een paar uur stil liet staan? Hoe zit het dan met de rotatie van de aarde? Nee, voor mij heeft Cees Dekker afgedaan.


zaterdag 17 mei 2014

John Piper, Verlangen naar God. Overdenkingen van een christenhedonist



Ik kreeg een boek in handen gespeeld dat ik moest lezen. Nu is de combinatie christendom en hedonisme al vreemd: Aristippus van Cyrene beschouwde het lustgevoel als het hoogste goed voor de mens. In het hedonisme wordt het zinnelijk genot als richtsnoer voor het handelen genomen. Dat is dus een puur aardse beleving. Piper draait het paganistische begrip hedonisme volledig om en maakt er een christelijk principe van. Het doel van de dienst aan God en mens is te genieten van deze dienst. Daarmee wordt het belangeloze principe van God dienen aardig in het nauw gebracht. Vooral als de auteur het over I Kor. 13 heeft, krijgt hij problemen. Hij moet al zijn redeneervermogens gebruiken om uit de problemen te komen en toch “De liefde zoekt zichzelf niet” in zijn straatje te passen. Hij is volop orthodox dogmatisch. Nu heb ik daar op zichzelf niets op tegen, maar deze man weet alles zo goed. Zelfs op de vraag naar het kwaad in de wereld draait hij een antwoord uit zijn retorische molen. Het lijkt wel, alsof de Bijbel geschreven is om hem van argumenten te voorzien, elke bladzijde wemelt van de bijbelteksten die hij gebruikt om zijn gelijk te halen. Van de theologische wetenschap maakt hij geen gebruik. Hij haalt auteurs aan, die ik geen van allen ken, op C.S. Lewis na. Vooral ene Jonathan Edwards heeft een geweldige indruk op hem gemaakt. De spreuk die hij enkele keren afdrukt, geeft zijn kernthema weer: Het hoogste doel van de mens is God verheerlijken door eeuwig van hem te genieten.


maandag 12 mei 2014

Gerhard Vollmer, Auf der Suche nach der Ordnung

Vollmer is natuurkundige en filosoof. Die Ordnung zoekt hij dan ook in de natuur, maar ook in de filosofie. Hij is naturalist, d.w.z. dat hij geen mogelijkheid tot transcendentie kan of wil aannemen. Hij schrijft haast populair-wetenschappelijk, is weliswaar grondig, maar ook helder. Hij gaat uitvoerig in op de vraag of er ordening in de chaos mogelijk is. In hoofdstuk 2 kadert hij het begrip naturalisme in. Hoofdstuk 3 is heel aardig, het begint met de drie affronten voor de mensheid (Copernicus, Darwin en Freud, maar komt dan met zes nieuwe affronten. Dat is eigenlijk een bewijs voor het feit dat de wetenschap zo snel in korte tijd is gevorderd. Hoofdstuk 4 is een bespreking van het holisme, dat hij scherp afwijst. Hoofdstuk 5 is misschien nog het moeilijkste hoofdstuk en bespreekt de grenzen van de ervaring, om uiteindelijk bij het antropische principe uit te komen. Hoofdstuk 6 is zeer interessant, gaat over algorithmen, geheugen, computer, in hoeverre zij wel kunnen wat de mens niet kan en andersom, bespreekt de Turingmachine en de these van Church. Zeer interessant èn bevattelijk. In hoofdstuk 7 beschrijft hij de grondslagen van zijn atheïsme en bespreekt hiervoor o.a. de godsbewijzen en zijn argumenten om die af te wijzen. Mijn vriend Geurt gaf in Atomium aan bij zijn bespreking van dit boek, dat Vollmer bedoelt: er zijn die en die feiten en dus ben ik atheïst, maar dat hij eigenlijk beschrijft: ik ben atheïst en dus….


maandag 5 mei 2014

Frans Kellendonk, Mystiek lichaam

Vooraf

Deze bespreking is verouderd. Ik plaats die toch, omdat de discussie over dit boek een literair-historische waarde heeft.

Als ik de eigenlijke bespreking van Frans Kellendonk, Mystiek lichaam. Een geschiedenis. heb voltooid, ga ik nog in op de beschuldigingen van homofobie en antisemitisme.

 De beschuldiging van homofobie is haast niet serieus te nemen. Kellendonk was zelf homofiel en beschrijft in Leendert een homo, zoals ik vanavond al eerder vertelde: ironiserend, in dit geval eigenlijk met zelfironie, en karikaturaal. Ik vind het schrijnend dat hij door onkunde – wie wist toen iets van aids af? – besmet wordt en dat hij later in Nederland een mooie, blonde jongen besmet door bij het zwemmen met hem te vrijen. Dit boek is een tijdsdocument van de fase waarin aids alle kans kreeg zich te verspreiden door de onkunde van mensen.

Aad Nuis heeft in een recensie de beschuldiging van antisemitisme geuit. Hij kreeg nogal wat medestanders: Robert Anker, Jan Mulder, Wim de Bie, Carel Peeters (die aanvankelijk een positieve recensie schreef en een half jaar later in een nieuwe bespreking Aad Nuis bijviel). Een auteur kan zich altijd gemakkelijk verdedigen: hij is niet verantwoordelijk voor wat een personage in zijn boek zegt. Daar kwam Hermans voor de rechter mee weg (in Ik heb altijd gelijk laat hij een hoofdpersoon op de “roomsen” afgeven die maar aan fokken en zo de meerderheid in Nederland zullen krijgen) en onlangs ook Houellebecq (die in Plateforme de terroristische islam door de hoofdpersoon scherp laat aanvallen). Maar ik maak me sterk dat zowel Hermans als Houellebecq stilletjes plezier hadden in die uitspraken. Bij Kellendonk ligt dit heel anders. Je kunt Gijselhart en zijn uitspraken niet serieus nemen. Hij is een mensenhater, een Grübler, een vrek, hij is een karikatuur. Daarom laat hij zich antisemitisch over Bruno Pechman uit, de Joodse verwekker van zijn kleinzoon Victor, die tot overmaat van ramp met 35.000 van Magda geleende guldens naar Zwitserland is vertrokken. Als Pechman eenmaal is gearriveerd, sluiten hij en Gijselhart vrede en worden ze de beste maatjes. Gijselharts antisemitisme verdwijnt als sneeuw voor de zon. Aad Nuis heeft zich ontpopt als een domme lezer, die niet in staat blijkt literaire ironisering te doorzien. Hij hield trouwens wel van een forse rel. Zo heeft hij bijvoorbeeld ook de discussie rondom Friedrich Weinreb tot vervelens toe voortgezet. Het is gênant voor Anker, De Bie en Peeters dat zij zijn kritiek hebben overgenomen. Mulder laat ik maar achterwege. Je kunt bij Barend en Van Dorp zien hoe de man zich over niets verschrikkelijk opwindt.