vrijdag 10 mei 2013

Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008

Gelukkig komen er af en toe boeken uit waarvan je ronduit kunt genieten en waar je ook wijzer van wordt. Dit is het geval met dit boek van Van Praag. “De auteur is emeritus hoogleraar psychiatrie en is een van de grondleggers van de biologische psychiatrie die het belang van het bestuderen van de hersenfuncties binnen het menselijk gedrag zijn verdiende plek hebben gegeven. Schijnbaar onverenigbaar daarmee is zijn positieve kijk op religie, die door de wetenschap vaak afgewezen wordt.” Aldus de inleiding op een interview met de ruim negentigjarige Van Praag in Tenachon nr. 4 van dit jaar.

Het boek bestaat uit een verzameling artikelen die de nog zeer actieve auteur hier en daar heeft gepubliceerd. Hij heeft ze zodanig gegroepeerd, dat er toch een duidelijke samenhang zichtbaar is. Het boek is vanuit drie posities van Van Praag geschreven: zijn psychatrische wetenschap, zijn ongenoegen met de neurowetenschap die de resultaten van onderzoek binnen dit kader als alleenzaligmakend verkondigt en zijn joodse identiteit. De artikelen zijn gerangschikt in vier Delen, waarvan het vierde een slotbeschouwing bevat.
Het Eerste Deel het Divergenties, een woord dat zo ongeveer het uit elkaar lopen van oorspronkelijk bij elkaar horende entiteiten betekent. Hij mengt zich in de al vele decennia lopende discussie tussen (natuur)wetenschap en alfawetenschappen, waaronder met name de theologie actief is. Hij komt echter als psychiater in dit gesprek binnen. In de psychiatrie zijn de opvattingen van Freud lange tijd overheersend geweest. Die verkondigde dat religiositeit een een relict uit de kinderperiode is, waar een volwassene aan ontgroeid moet zijn. Van Praag deelt deze mening niet en geeft religiositeit een volwaardige plaats in het menselijk functioneren. Hij noemt mensen die geen religieuze beleving kennen, afwijkend. Nu zijn er vele afwijkingen bij veel mensen, dus onrustbarend is dit niet voor hem. Mensen die van hun wetenschap een geloof maken en geen andere opvattingen accepteren benoemt hij ronduit als abnormaal. Die wetenschappers die dit geloof ook verkondigen en mensen met andere opvattingen willen bekeren, denk maar aan iemand als Dawkins, noemt hij pathologisch. Ook voor geloof hanteert hij deze diagnoses. Religiositeit is dus voor hem volstrekt normaal. Wat hij “stolling” noemt, het verstarren van geloofsopvattingen tot vaststaande dogma's, noemt hij abnormaal. En pathologisch is voor hem de geëxalteerde gelovige.
Van Praag gaat uitvoerig in op de opvattingen van Swaab, wiens boek in 2008 nog niet was verschenen, maar wiens mening uit een artikel in het boek Leven zonder God uit 2003, al bekend was. God is een brein-product, zegt Swaab. “We zijn ons brein”. Van Praag poneert onder meer dat we over een “psychisch apparaat” beschikken dat informatie uit de buitenwereld integreert tot emoties. Religieuze ontvankelijkheid is geen regressieverschijnsel, maar een teken van psychische rijpheid. “Mondige maatschappijen eisen een mondige mensheid.” En een bladzijde terug schrijft hij: “Mondige mensen, zo zou ik denken, hebben behoefte aan een mondige religie”. Dat is een godsdienst die bijvoorbeeld geen dogma's kent en waarin mensen niet afhankelijk zijn van voorschriften die hun binnen een kerkelijke hiërarchie worden opgelegd. En nu hebben we het alleen nog maar over het eerste hoofdstuk gehad!
Voor Van Praag is de pure causaliteit in het wereldbeeld niet te accepteren. Hij veronderstelt in het ontstaan van het heelal en de evolutie van levende wezens een “sturende kracht”, die hij beslist niet God wil noemen. Als er geen design zou zijn geweest, geen bouwtekening, is het voor hem onvoorstelbaar dat ons brein met zijn haast ontelbare neuronen geen chaos zou zijn geworden. Typisch joods is zijn opvatting van de onvoltooide wereld. Daarin moet de mens meebouwen aan de wording van een volmaakte wereld, een opvatting die op het joodse messianisme uitloopt.
Als jood is Van Praag ook in de Schrift, voor hem Tenach, sterk geïnteresseerd. Het begint al met zijn opvatting dat het verbod aan Adam en Eva te eten van de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad, dat hij een uitdaging noemt. God zou toch niet gewild hebben dat mensen als willoze zombies in de tuin zouden rondlopen! Door die uitdaging te aanvaarden kunnen zij uitgroeien tot autonome, zelfverantwoordelijke mensen. Belangwekkend zijn ook zijn psychiatrische diagnoses van Saul en Job. Ook de vraag of de God van de Bijbel een wrede God is, stelt hij aan de orde.
Ik moet ophouden, ik heb de beschikbare ruimte al overschreden. Alleen wijs ik op de Epiloog, waarin hij schrijft dat hij gekozen heeft voor de weg van de religieuze verbeelding, waarvoor het judaïsme de bouwstenen heeft geleverd. Ik citeer het slot van dit rijke boek dat niemand eigenlijk kan laten liggen:
Heb ik de wereld van het weten en die van (geloofs)belevingen weten te integreren? Natuurlijk niet. Ze laten zich niet mengen. Dat hoeft ook niet. Zoals in een interieur antiek en modern meubilair elkaar kunnen aanvullen tot een harmonisch geheel dat het oog streelt, zo laten geloven en weten zich combineren tot een harmonische eenheid die de geest streelt. Met andere woorden: ik geloof in de rede en acht het redelijk te geloven.”

Wim Kleisen

donderdag 2 mei 2013



Dr. Tjeu van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn.  Meinema, 5e druk, 2007

Het boek is van 2007, niet nieuw dus. Toch heb ik het met grote belangstelling gelezen.  Bij de titel rijzen er natuurlijk twee vragen: wat is mystagogie en wat moet ik onder symbolisch bewustzijn verstaan.
Bij het woord mystagogie zijn twee woorden min of meer samengevoegd.  De eerste lettergreep is afkomstig van mysterie en de rest van het woord herkennen we in pedagogie. De betekenis wordt dan duidelijk: vorming in het mysterie. Het tweede begrip is min of meer te verklaren als een bewustzijn dat gevoelig is en open staat voor symbolen, sterker nog, een bewustzijn dat de symbolen als levensvoorwaarde aanneemt. De auteur verklaart het begrip zelf al op p. 9.
Daarmee is nog niet gezegd waarom ik het boek zo ongelofelijk boeiend vind. Dat heeft te maken met het feit dat de auteur ingaat op het verval van het christendom, op het smakeloos worden van de inhoud ervan. Dat raakt een aantal lezers ongetwijfeld, maar het is toch een reëel feit in onze We st-Europese samenleving. Ik kan het zorgvuldig opgebouwde betoog niet op de voet volgen, maar ik geef u graag een aantal belangrijke zaken mee.
In de eerste plaats betoogt de auteur dat de kennis binnen ons christelijk geloven voor al een rationeel wetend kennen is. Wij menen dat wij de geloofsmysteries rationeel kunnen verklaren. De auteur zegt daar zelf van: “Zolang als de religie slechts bestaat als geloof en uiterlijke vormen en zolang de religieuze functie geen ervaring van de eigen ziel is, is er niets fundamenteels gebeurd”. (p. 17). Hij beschrijft hoe in het vroege christendom de catechumenen gedurende de veertig dagen voor Pasen werden voorbereid op hun doop, maar zonder dat hun het christelijk geloof werd verklaard. Zij ondergingen de doop als symbool en beleefden de samenkomsten van de gelovigen als een complex van symbolen. Zij moesten zelf die symboliek leren doorgronden, voor zover dit natuurlijk mogelijk is. Niet het rationeel geloven, maar de beleving van de symboliek stond dus centraal. De auteur noemt het gesprek tussen Jezus en Nicodemus, die ongevoelig is of wil zijn voor de symboliek die Jezus hem voorlegt. “De ingewijde ziet geen andere dingen maar ziet de dingen anders!”, zegt Van den berk op de laatste bladzijde.
Naderhand veranderde dit. Wij weten hoezeer de dogma’s in de catechese als verplichte geloofspunten werden onderwezen, zie bijvoorbeeld de Heidelberger Catechismus. Toegegeven: die catechese is nu merendeels verleden tijd, maar daar is niet de beleving van de symboliek voor teruggekomen. Wat rest er dan nog? Niet veel meer, vrees ik.  Maar nu was ik zelf aan het woord. De slotsom van de auteur is dat het dromend bewustzijn – hij behandelt hier Jung en Drewermann – de ruimte is, waarin de symboliek moet worden beleefd. Hij beschrijft de overeenkomsten met de oude inwijdingsreligies, hoewel de christenen zelf de inwijdingsmysteries verontwaardigd afwezen. De auteur noemt trouwens ook verschillen.
Wij kennen ook in onze tijd die inwijdingsgenootschappen, ik noem de vrijmetselaars, een orde die haar ledenaantal aardig op peil weet te houden. Een nieuweling wordt eerst als profaan in een open loge volgens een grotendeels vastgelegd rituaal, dat rijk is aan symboliek, ingewijd. Daarna volgt de vorming, waarin hij de symboliek die hij al ervaren heeft, ook persoonlijk enigszins kan doorgronden. Hij is daar de rest van zijn leven mee bezig.
De auteur legt grote nadruk op de Socratische leermethode. Het gaat er hierin niet om de leerling met nieuwe begrippen te confronteren, maar om de vragen die de inhoud van zijn denken vertolken, voor hemzelf duidelijk te maken. Deze methode wordt vergeleken met een vroedvrouw die wat al aanwezig is, aan het daglicht moet brengen.  Hij werkt dit onder meer uit in zijn beschrijving van gesprekken over films, die vruchtbaar zijn, niet als ze rationeel benaderd worden, maar juist als het bewustzijn van de deelnemers aan de gesprekken  open is voor symboliek.
Ik eindig met een citaat uit het afsluitende betoog van Van den Berk:
“De spirituele crisis waarin we verkeren zal op de eerste plaats erkend moeten worden en niet te vlug met een vernislaagje worden bestreken. Men kan namelijk vlug menen dat de kerk immers toch rijk is aan symbolen en het slechts een kwestie van tijd is om die weer vanonder het stof vandaan te halen. Ik hoop aangetoond te hebben in dit boek dat een ‘symbool’ heel iets anders is dan het ‘pompeuze vertoon van verschraalde allegorieën’. Verhoeven (aan hem was dit citaat ontleend) stelt: ‘Het heeft dan ook weinig zin, althans weinig religieuze betekenis een poging te doen water uit de rots te slaan, wanneer men kan vermoeden, dat juist de dorheid vruchtbaar kan zijn.. … Helaas is de realiteit van nu onze religieuze dorheid en het is al optimistisch genoeg hiervoor het woord crisis te gebruiken.’”
Wie zich de afkalving in ledenaantal van christelijke geloofsgemeenschappen en de inhoudelijke verschraling ervan ook maar enigszins aantrekt, moet dit boek beslist lezen!

dinsdag 9 april 2013



Bernard Wasserstein, Aan de vooravond.  Nieuw Amsterdam, € 44,95
De titel dient te worden aangevuld met “… van de Tweede Wereldoorlog  het gaat over de situatie van de Joden in Europa in de jaren dertig, vandaar die ‘vooravond’. Nu kunt u zich afvragen: “Zijn er al niet genoeg boeken over dit onderwerp geschreven?” Ik noem zo maar wat auteurs en titels:
J. Presser, Ondergang, nog steeds een standaardwerk;
Abel Herzberg,Kroniek der Jodenvervolging; 1940-1945;
Saul Friedländer, Nazi-Duitsland en de Joden, twee lijvige delen;
Raul Hilberg, De vernietiging van de Europese Joden, drie lijvige delen;
Dr. Robert Rozett en dr. Shmuel Spector, Encyclopedie van de Holocaust, inderdaad een alfabetisch opgestelde encyclopedie met een aantal inleidende artikelen.
Elk van deze boeken bevat een uitputtende literatuurlijst en dan zijn er nog de vele, vele boeken, die niet dé geschiedenis beschrijven, maar bepaalde feiten of personen uitlichten. Kortom: is er al niet genoeg over dit onderwerp geschreven?
In de eerste plaats kun je antwoorden dat elk nieuw boek dat weer een andere visie geeft of de feiten in een nieuw daglicht plaatst, welkom is. De geschiedenis van de Jodenvervolging c.q –vernietiging is zo omvangrijk dat er altijd weer nieuwe titels met nieuwe invalshoeken zullen verschijnen. De verschrikking is daarbij toch ook zo groot dat dit je nooit meer los zou mogen laten!
Inderdaad is dit boek vanuit een andere invalshoek geschreven. Het is sociologisch van aard, wat in dit geval niet wil zeggen dat het een droog geschreven boek is. Integendeel. De vraagstelling van de auteur luidt: “Hoe zag de Europese Jood er in de jaren dertig uit? Of liever – nu het idee van een enkel nationaal, etnisch of religieus type, zoals destijds gebruikelijk, onhoudbaar is geworden – hoe zagen de Europese Joden er in de jaren dertig uit?” (p. 13). Het overige deel van de vraagstelling laat ik achterwege. Allereerst wordt min of meer een voorgeschiedenis gegeven, met o. a. een heel hoofdstuk over het “christelijke vraagstuk”. Dit vind ik wel een vondst van de auteur. Niet: het joodse vraagstuk, maar het christelijke. Aan de hand van auteurs en opvattingen die onder christenen leefden, zoals dia aangaande de “bloedschande”, wordt beschreven wat Hans Jansen indertijd in Christelijke theologie na Auschwitz al duidelijk heeft gemaakt, namelijk dat de anti-judaïstische opvattingen die in het christendom gangbaar waren, de antisemitische ramp die zich in Duitsland en de door de nazi’s bezette gebieden heeft voltrokken, hebben voorbereid. Overigens toont Léom Poliakov in De Arische mythe aan dat dit voor de gehele Europese cultuur geldt.
Terug naar Wasserstein. Bij lezing van zijn boek word het al snel duidelijk dat er over “het” Jodendom eigenlijk niet kan worden gesproken. Het Oost-Europese jodendom met zijn stetls op het platteland en jodenwijken in de grote steden zag er heel anders uit dan het West-Europese Jodendom. Wasserstein beschrijft verschillende bevolkingslagen, de intellectuelen, zoals auteurs, journalisten en hun periodieken. Zo komen ook andere Europese landen en steden ter sprake met alle bijzonderheden over de bevolking daar. Ook cultureel steken we zo heel wat op. Weet u bijvoorbeeld wat ‘loeftmentsjen’(Jiddisj) zijn? Als u hen op schilderijen van Chagall hebt gezien, vergeet u hen niet meer. De omschrijving van Lewis Namier, geciteerd in dit boek, luidt: “”iemand ‘zonder vaste grond onder [zijn] voeten, zonder opleiding of beroep, zonder geld of vaste bezigheden, iemand die vrij als een vogel door de lucht vliegt en ook bijna van de lucht lijkt te leven. Wasserstein gaat hier uitvoerig op in. Antisemieten ontleenden juist aan deze mensen veel argumenten voor hun opvattingen.
Ik beveel u dit vlot en helder geschreven boek van harte aan. Het verrijkt de kennis in een samenleving, die nu tot de historie behoort. Je kunt daar nooit genoeg over lezen. Ik weet dat er mensen onder ons leven die van mening zijn dat al die aandacht voor dit onderwerp niet meer van belang is op grond van de politiek van de staat Israël. Maar ik kan niet anders dan betogen dat deze kritiek nooit de Shoa, zoals de Holocaust in het Ivriet heet, met terugwerkende kracht kan rechtvaardigen, evenmin dat we op grond van die kritiek een terroristische groepering als Hamas kunnen accepteren. Zelf ben ik ambivalent, de kritiek is voor een deel terecht, maar is gebaseerd op selectieve berichtgeving in de media, zoals we die ten aanzien van andere conflicten in de wereld niet aantreffen. Maar daarover zwijg ik nu maar, het zou voor wat dit boek betreft te ver voeren.
Wim Kleisen

woensdag 3 april 2013



Gerard Bodifiee, Nu is de tijd. Over tijdelijkheid en eeuwigheid. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2012

Het klinkt misschien niet zo aanlokkelijk als ik begin met te zeggen dat dit een moeilijk boek is. Toch wil ik er over schrijven, omdat het ook een rijk boek is. Er is al veel meer over het begrip tijd geschreven, Joke Hermsen schreef er bijvoorbeeld ook een mooi boek over, maar dit is toch wel uitzonderlijk.
Het boek kun je in vier afdelingen onderscheiden, al doet de auteur dit niet. In de Inleiding gaat de auteur zelf op de opbouw van de hoofdstukken in en noemt hij al het thema van het boek: tijd als ervaring van de onvolkomenheid van het bestaan. In het eerste hoofdstuk schrijft hij over tijd als beweging van het bestaan, een beweging waarin wij worden meegesleurd.  Ons nu, waarin wij leven, verschuift onophoudelijk naar een toekomst en laat steeds meer verleden achter zich. Dit is niet terug te draaien. Dit is een mysterieus en beklemmend gebeuren.
Daarna begint het volgens mij tweede gedeelte, waarin de auteur het denken van voornamelijk Griekse filosofen over tijd weergeeft. Zij beschouwden de kosmos als een orde. (Onze beschaving heeft  dit overgenomen, tot er in de vijftiende eeuw een kentering kwam. Naarmate er meer bekend werd over het heelal verdween het besef van orde in de kosmos. Pascal schreef toen in een beroemde gedachte dat de onmetelijkheid van het heelal hem beangstigde. Dit kwam, doordat het besef van orde verdwenen was. WK) Maar de kosmos schenkt de onderzoeker toch een besef van schoonheid, al is er van volmaaktheid geen sprake.  Onze zintuigen zijn een onvoldoende middel om de werkelijkheid om ons heen goed te beschouwen, ook al is de ratio een goede gids.
Daarmee komt ook het begrip waarheid aan de orde en Bodifiee laat een aantal Griekse filosofen de revue passeren, die allen over tijd, zijn en niet-zijn, bestaan en vergaan hebben nagedacht. Ik kan dit niet weergeven omwille van de lengte van dit stuk, maar ik wil u een juweeltje niet onthouden:
“Met de verwijzing van het tijdloze ‘nu’ dat alle zijnden omvat (regel 5 van fragment 8: ‘Het was niet ooit en zal ook niet ooit zijn, want het is nu in zijn geheel bijeen’) expliciteert Parmenides het volkomen bestaan dat ‘eeuwigheid’ genoemd kan worden. De eeuwigheid is een permanent ‘nu’ waarin alles tegelijk en volledig tegenwoordig is.  Zo begrepen, is de eeuwigheid zeker geen oneindige langdurigheid, maar integendeel de volkomen tijdloosheid. Wat eeuwig en waarachtig bestaat, ‘wordt niet en zal niet zijn’, het ontstaat niet en vergaat niet, het plant zich niet voort in de tijd, maar is blijvend aanwezig in een allesomvattend heden.” (p.62)
Ik laat dit deel verder voor wat het is. Het is bij aandachtige lezing goed te volgen en verrijkte mijn inzicht en begrip. In een volgend deel komen wis- en natuurkundigen aan bod over het begrip relativiteit. Begrijpelijk krijgt Einstein hier de meeste aandacht. De auteur verzekert ons dat dit deel met diagrammen begrijpelijk wordt gemaakt voor wie secundair (we lezen het boek van een belg), bij ons dus voortgezet, onderwijs heeft gevolgd. Ik betwijfel dat toch, gezien mijn eigen moeite met het volgen van dit betoog, maar de hoofdlijnen over relativiteit en onomkeerbaarheid zijn toch goed te begrijpen.
In het laatste deel volgt de auteur zijn eigen gedachtengang.  Hij behandelt achtereenvolgens zijn begrippen infernum (“het totaal niet-zijn, het niets zelf, of wat tot het niets te herleiden valt”), habitus (“de heersende toestand van de wereld, in haar heterogene, partiële staat van realisatie”), conatus (“het strevende bestaan dat gekenmerkt is door een expliciet en effectief verlangen naar een uitbreiding en vervolmaking van het bestaan”) en pleroma (“de volheid van het onbegrensde, volkomen bestaan”). Hij schetst dus de ontwikkeling naar deze volkomenheid, waarin het nu verleden en toekomst zal omvatten, de hierboven omschreven eeuwigheid. Hij vindt hier steun bij o.a. Teilhard de Chardin, een nu wat vergeten Franse denker uit het eerste deel van de vorige eeuw.
Toch is juist dit deel voor mij wel speculatief. Hoewel God hier ter sprake komt, kun je dit pleroma opvatten als een seculiere heilsverwachting, een seculiere voleinding. In de christelijke theologie kennen we de komst van het Koninkrijk, de terugkomst van Jezus als messias, de voleinding. Maar dit pleroma van Bodifiee ligt naar zijn eigen verwachting nog miljoenen jaren voor ons. Paulus verwachtte de terugkomst van Jezus aanvankelijk nog in zijn dagen, maar later dacht hij daar anders over. In de theologie spreekt men van een uitgestelde voleinding, maar de nuchtere Nederlander zegt dan: “Van uitstel komt afstel”.  In mijn jonge jaren zong Bob Dylan Blowing in the wind, een van mijn lijfliederen. In de laatste strofe zingt hij:
“Yes, how many times must a man look up
Before he can see the sky ?
Yes, how many ears must one man have
Before he can hear people cry ?
Yes, how many deaths will it take till he knows
That too many people have died ?”
Hij geeft zelf het antwoord:
“The answer my friend is blowin' in the wind
The answer is blowin' in the wind.”
Áls die tijd ooit zal komen, hoeveel leed zullen mensen elkaar daarvoor dan nog berokkenen, hoeveel lijden zullen mensen dan – vaak door toedoen van medemensen- moeten ondergaan? Ik krijg eerder een gevoel van vergeefsheid dan van hoopvolle verwachting. Maar een mooi boek is het!
Wim Kleisen

dinsdag 2 april 2013

Guus Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2012 Guus Kuijer is een schrijver van kinderboeken. Evenals kinderen vaak onbevangen zijn, geldt dit ook voor veel schrijvers van voor hen bestemde boeken. Voor Guus Kuijer is dit in ieder geval van toepassing. Dit tekent zijn interpretatie van de Bijbelse verhalen. In dit boek vertelt hij de verhalen uit Genesis. Het is duidelijk wel voor volwassenen bedoeld. In het Nawoord vertelt hij dat hij met de Bijbel is grootgebracht, maar dat het in zijn tiende jaar al tot hem doordrong dat hij niet meer geloofde. Toch zijn deze verhalen hem blijven boeien op grond van hun geweldige vertelkracht. Schoolmeesters vertelden ze met hun eigen interpretatie. Zonder dat kun je ook niet bestaande verhalen vertellen. Elke verteller brengt ook wel veranderingen aan in het verhaal. Voor Kuijer geldt dit ook allemaal. Hij vertelt de verhalen van Adam en Eva door het perspectief van Adam. Het zondvloedverhaal wordt door Cham verteld, de zoon die de zwarte piet wordt toegespeeld, waarna zijn zoon Kanaän voor de consequenties opdraait. In de Abrahamverhalen ligt het perspectief bij Sara, die volgens Kuijer niet alleen lachte na de toezegging van een zoon, maar eigenlijk altijd dingen lachwekkend vond. Prachtig verteld is het verhaal van Sara en de farao. Dan volgt Isaäc, die ook het verhaal van de Binding, het offer vertelt. Daarna volgen de Jacob- en Jozefverhalen, verteld door Ben-Oni c.q. Benjamin. Aan dit alles gaat vooraf het verhaal van de schepping. Kuijer gelooft heel duidelijk niet in de historiciteit van de Bijbelse verhalen, maar met de wonderen heeft hij als verteller geen problemen, misschien juist doordat hij niet van het “echt gebeurd” uitgaat. Wel worstelt hij met de figuur van God. Prachtig is het begin, de verbazing van God, omdat het balletje waar hij mee speelt, ontploft. Maar dan volgt de ernst: Adam en Eva en de vrucht van de boom der kennis. Waarom mochten zij niet tot kennis komen, wat was daar mis mee? Waarom verdelgt God in het zondvloedverhaal alle mensen? Is dat niet rigoureus? Noach wordt hier trouwens op onverwachte wijze gekarakteriseerd. Zo is er ook de vraag waarom God ook alle kinderen in Sodom ombracht en waarom hij het mensen zo moeilijk maakt, zoals Abraham bij het offer van zijn zoon en Jozef in zijn lijdensweg, voordat Farao hem tot onderkoning verheft. Al die twijfels laat hij vertolken door zijn ik-figuren. Het schrijnendst is dit bij Cham het geval, die zijn vader en God eigenlijk niet serieus kan nemen. Kuijer zou de indruk kunnen wekken dat hij blasfemerend, godslasterlijk, bezig is. Ik heb dit niet zo ervaren. De ondoorgrondelijkheid van God die naar voren komt in al deze Bijbelse verhalen, leidt bij lezers en hoorders tot onbegrip. Dat uit zich in de vragen en de spot, die Kuijer duidelijk inbrengt in zijn verhalen. Daarom vertelt hij in zijn Nawoord waarschijnlijk dat geen verhaal verteld kan worden zonder de interpretatie van de verteller. De vrienden die ons dit boek cadeau gaven, schreven voorin o.a.”Geloven is zoekend op weg zijn en speuren naar tekenen van de Eeuwige, in mensen, in daden van gerechtigheid en barmhartigheid!” Daar stem ik mee in. Zoeken houdt ook twijfelen in, vragen naar de interpretatie van wat je overkomt. Dit is nu net wat de vertellers in Kuijers boek doen. Wim Kleisen