donderdag 21 november 2013

Jan Nieuwenhuis, Johannes de ziener


Het evangelie naar Johannes gold zo’n dertig jaar geleden als een anti-judaïstisch evangelie. Johannes heeft het steeds over “de joden” en dat zette kwaad bloed. Maar langzamerhand bleek bij nadere studie dat Johannes nog wel eens de Galileeërs tegenover de Joden plaatst en dit is een innerlijke tegenstelling. Verder noemt hij ook de bestuurlijke top in Jeruzalem nog wel eens zo. Tegenwoordig is het evangelie naar Mattheüs de gebeten hond, omdat de evangelist Jezus nog wel eens scherp naar de : Farizeeën en Schriftgeleerden” laat uitvallen. Je moet je dan wel realiseren dat dit evangelie omstreeks het jaar honderd is geschreven, een tijd waarin de tegenstelling tussen joden en christenen zich aanscherpte. Jezus, in de eerste plaats toch de verkondiger van het evangelie, valt dit niet aan te rekenen.
Johannes dus. In het verleden schreef Jan Nieuwenhuis studie over het evangelie naar Johannes, de brieven van Johannes en de Openbaring aan Johannes. In 2004 werden deze boeken herzien en als één geheel uitgegeven: 970 pagina’s dik. Ik heb er dus wel even de tijd voor genomen.
Nieuwenhuis zou eigenlijk graag willen dat deze boeken samen één auteur hebben. Echt aantonen kan hij dit niet, dus hij laat het in het midden, al benadrukt hij dat de verkondiging van de liefde in het evangelie en in de brieven grotendeels overeenkomt. Het boek Openbaring wijkt qua stijl en verkondiging af. Nieuwenhuis betoogt dat dit boek in een tijd van grote verdrukking is geschreven, zodat de taal voor de onderdrukkers onbegrijpelijk moest zijn. De religieuze symboliek was voor de vervolgde christenen in Klein-Azië heel duidelijk.
Een verantwoorde weergave van de inhoud is natuurlijk onmogelijk. Nieuwenhuis benadrukt sterk de verhouding tussen Jezus en zijn “Vader”. Die twee zijn één, zoals bijvoorbeeld ook Meister Eckhart in de Middeleeuwen al betoogde. Er is wel onderscheid, maar geen verschil. Over het feit van de opwekking is Nieuwenhuis heel duidelijk: “Betekent dit dat Jezus God is? Een onzinnige en voor een gemeentelid van Johannes onverteerbare vraag. JHWH is immers één; dat betekent: zoals Hij is er slechts één (Deut. 6,4 Mark. 12, 29-32, 1 Kor. 8,6; 1 Tim. 2,5). Dat is het grondbeginsel van het joodse geloven. Jezus is dus niet identiek met God. hij is een mens die God incarneert in alles wat hij is, zegt en doet; hij verricht het Woord dat God is. Hij is, zegt de beeldspraak, de zoon, het facsimile, het spiegelbeeld van God, die immers God is voor de mensen en in de mensen.” Een citaat uit een lange passage (p. 441) waarin de auteur helder zijn visie geeft.
Nieuwenhuis is geen man van dogma’s, maar van verkondigende interpretatie van de Johanneïsche geschriften.
De brieven behandelt Nieuwhuis in de chronologische volgorde: II, III en dan I. De auteur gaat in op de hymnische, poëtische taal. De liefde staat centraal: “De liefde tot en van de Vader is – en dat is het nieuwe van het gebod – maatstaf en stelregel voor de liefde tussen de leerlingen onderling en tussen hen en de wereld.”(p.548). Een voor ons binnen de kerken nog steeds behartenswaardige boodschap.
Over het boek Openbaring schrijft Nieuwenhuis evenzeer boeiend. Hij gaat diep in op de religieuze symboliek, die zo sterk op de voorgrond treedt. Hij plaatst het boek in de juiste historische context. Hij laat zien hoe sterk dit boek toespeelt op Tenach, de joodse boeken die de grondslag zijn van wat wij Oude Testament noemen. Het hele boek door geeft hij blijk van zijn visie op het jodendom, het is de bron waaruit wij putten en wij kunnen onze christelijke godsdienst niet belijden zonder te erkennen dat de joodse religie niet een voorloper, maar de kern, ook van ons handelen is.
Ik kan me voorstellen dat een boek met de boven beschreven omvang u afschrikt. Je kunt het ook anders hanteren. Als een hoofdstuk uit een van deze Bijbelboeken u voor vragen stelt, kijk dan eens wat Nieuwenhuis daarover schrijft. U leest dan ongetwijfeld ook wat verder, het boek laat zich moeilijk opzij leggen. Letterlijk is het zwaarder dan inhoudelijk.

zaterdag 9 november 2013



Francis Chan met Preston Sprinkle, Bestaat de hel?


Nou ja, dacht ik, moet zo’n boek nou? Het onderwerp blijkt echter een hot item te zijn in de dubbele betekenis van deze uitdrukking, want de EO heeft er met enkele organisaties een hele debatavond aan gewijd met Andries Knevel als voorzitter. De vraag leeft dus blijkbaar toch. Het boek leent zich er in ieder geval goed voor om te bestuderen hoe “Bijbelgetrouwe” christenen eigenlijk met die Bijbel omgaan.
Ds. Arenda Haasnoot , PKN-predikant in Rijnsburg, schreef er een Voorwoord bij, waarin ze o.a. de opmerking van Chan dat hedendaagse christenen een ‘allergie’ voor de hel hebben ontwikkeld met instemming vermeldt. Zelf schrijft ze dat ze nog wel eens vijandig bejegend wordt, als ze over de twee wegen heeft gepreekt, de brede en de smalle weg.
In een Ten Geleide schrijft Chan dat Sprinkle hem als deskundige in het jodendom van de eerste eeuw na Chr. heeft ingepraat. Ik kon er eerlijk gezegd niet veel van merken. Joden in die tijd zouden de hel, Gehenna, al als vaststaand feit hebben opgevat. Over meer genuanceerde betekenissen van ‘Gehenna’ geen woord. Spreken over “de theologie” van het jodendom is natuurlijk, gezien het praktiserende aspect van deze godsdienst een misser. Pas door Maimonides is de opvatting dat de dood niet het einde is, wat breder verspreid. De Inleiding van Chan met een wat meer persoonlijke benadering laat ik nu maar rusten.
Al direct blijkt dat de titel niet eerlijk is, want voor Chan is dit geen vraag. Het eerste hoofdstuk heet “Gaat iedereen naar de hemel?” en het tweede “Is de hel veranderd? Of wij?” Chan is dus zelf overtuigd van het bestaan van hemel en hel.
In de eerste plaats zien we dat Chan de Bijbel letterlijk als waarheid aanneemt. Dat wil zeggen dat hij de tekst ervan als door God geschreven beschouwt en dat bijvoorbeeld het boek Daniël inderdaad in de tijd van Nebukadnezar en Darius is geschreven en niet een paar eeuwen later, zoals nu toch algemeen wordt aangenomen. De hel is de plaats waar zondaars voor eeuwig worden gestraft en dus geen enkele kans maken op vergeving en verlossing. Hij citeert in dit kader Openbaring 20, 11-15 en toont geen enkel begrip voor het tijdgebondene van dit boek, het noodzakelijke verhulde schrijven als verzetsliteratuur tijdens het schrikbewind van Nero.
De gelijkenissen van Jezus vormen een rijke bron voor Chan, Luc. 13,25-28 en veel andere gelijkenissen, het uitwerpen in de buitenste duisternis en het eeuwige vuur – merkwaardig: waar vuur is, is geen duisternis – zijn voor hem bittere ernst. Merkwaardig is dat de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus voor hem plotseling geen serieuze beschrijving van hemel en hel inhoudt. Dat is het enige punt waar Chan volgens mij afwijkt van zijn letterlijke interpretatie. Hij toont trouwens geen enkele affiniteit voor de rijkdom van beelden en metaforen in de Bijbel. Serieuze Bijbelse theologie treffen we bij hem niet aan.
Als de Bijbel letterlijk het Woord van God is, moet de totale tekst dan de eeuwige Waarheid bevatten. Maar die tekst moet dan wel geïnterpreteerd worden. Eigenlijk zie je dan toch dat mensen bepalen wat volgens de Bijbel de eeuwige Waarheid is. Chan beseft dit niet. Hij zoekt in de Bijbel losvast naar passages die zijn dogmatische opvattingen kunnen aantonen zonder zich iets aan te trekken van historische context, metaforiek en andere beeldspraak. Wie in de Bijbel zoekt naar bevestiging van eigen gelijk, vindt altijd wel teksten. Daar komt dan bij Chan het Bijbelgetrouwe geloof ook op neer: eerst de eigen dogma’s, rotsvaste overtuiging, en dan de Bijbel met bewijsplaatsen. Dat houdt in dat hij de Bijbel juist niet serieus neemt als Gods Woord, zijn dogmatische vooronderstellingen zijn veel belangrijker.
Ik begrijp niet dat een PKN-predikant als Arenda Haasnoot zo’n boek serieus neemt.

vrijdag 1 november 2013

M. Baigent & R. Leigh, De tempel en de loge. Tirion Uitgevers, Baarn, 2007

Het is niet de bedoeling elk boek op deze site uitvoerig te bespreken, hoe aardig en interessant het ook is. Dat laatste is in ieder geval met dit boek een feit. De auteurs, zelf geen vrijmetselaars, doen uitvoerig verslag van de sporen van Tempeliers die zij in Schotland aantroffen. Van daar af beschrijven zij de geschiedenis van de tempeliers in Schotland en ook in andere delen van het huidige Groot-Brittannië.
Daarna komt de niet zo duidelijke relatie met de eerste vrijmetselaars aan de orde. Vervolgens wordt de geschiedenis van de vrijmetselaars beschreven, ook voor wat de strijd tussen aanhangers van het huis van Stuart en de jacobieten betreft.
Dan wordt het accent verlegd naar de Engelse kolonie in Noord-Amerika en de vrijheidsstrijd. Aan beide zijden van de oorlogvoerende partijen vochten vrijmetselaars mee, heel vaak in hoge rangen.
Tot slot volgt dan de onafhankelijkheidsverklaring, waarin vrijmetselaars een heel groot aandeel hadden.
Al met al een interessant en vlot geschreven boek.

vrijdag 25 oktober 2013



Mijn blogs:


Franz Rosenzweig, Stern der Erlösung: http://rosenzweigstern.blogspot.nl/

Besproken boeken:
Guus Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen
Gerard Bodifiee, Nu is de tijd. Over tijdelijkheid en eeuwigheid. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2012
Bernard Wasserstein, Aan de vooravond.  Nieuw Amsterdam, € 44,95
Dr. Tjeu van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn.  Meinema, 5e druk, 2007
Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Theo de Boer & Ger Groot, Religie zonder God. Een dialoog. Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam, 2013
Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven. Visies van een jood. Boom, Amsterdam, 2008
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Tjarko Evenboer, De wereldwijde vloed. Uitg. Gideon, Hoornaar. € 19,95

Doreen Hazel, Kettingdragers. Narratio, 2013
Dekker, Willem Maarten, Provocatie. Over de zin van God en geloof
Uitg. Groen, € 14,95
Dr. W. Barnard, Eredienstvaardigheid. Prof. dr. G. van der Leeuw-stichting, Amsterdam 1972
Het nieuwe Liedboek, bv Liedboek, 2013
Sam Harris, The End of Faith
Rudolf Boon,  Ons cultureel draagvlak
Mok, Daniël, Rudolf Otto. Het kwetsbare leven. Abraxas, Amsterdam, € 12,50
Kruyswijk, Hittjo, Baas in eigen Boek? Evolutietheorie en Schriftgezag bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dissertatie
Sören Kierkegaard, Vrees en beven.
Koert van der Velde, Flirten met God. Religiositeit zonder geloof. Ten Have, 2011
Het Nieuwe Liedboek andermaal
Bloeme Evers-Emden, Als een pluisje in de wind. Uitgeverij Van Praag, Amsterdam, € 19,95
Carel ter Linden, Wat doe ik hier in Godsnaam? Een zoektocht. De Arbeiderspers, 2013

Carel ter Linden, Wat doe ik hier in Godsnaam? Een zoektocht. De Arbeiderspers, 2013

Na elf jaar predikant te zijn geweest bij de Waalse Kerk in Amsterdam legde Conrad Busken Huet zijn ambt neer, nadat hij in een Afscheidsrede zijn ongeloof had verwoord. Hij meende daarom zelf zijn ambt niet meer te kunnen uitoefenen. Zo ongenuanceerd ligt dat in onze tijd, 151 jaar later, niet meer.
Carel ter Lindens laatste standplaats was in de Kloosterkerk in Den Haag, waar leden van het Koninklijk Huis de diensten frequenteerden. Zijn geloofsovertuiging evolueerde tijdens al de jaren dat hij zijn ambt uitoefende. De zoektocht, zoals hij dit in zijn ondertitel noemt, legt hij in dit boek vast. Voor mijn gevoel niet de zoektocht zelf, maar wel de huidige stand van zaken. Het is een eerlijk en heel persoonlijk boek, zeker geen theologisch studiewerk. Al is het mij op de huid geschreven, ik kan Carel ter Linden (verder CtL) niet op de voet volgen, dat zou een te lang artikel worden.
In het eerste verkennende hoofdstuk valt mij op, dat CtL aanneemt dat binnen de kosmos een verborgen kracht werkzaam is. Dat lijkt wat op ietsisme en mijn vraag bij het lezen van dit boek is zo ongeveer: “Hoe stelt CtL zich binnen onze zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, een andere, onzienbare aanvaardt hij niet, die kracht, God, dan voor?
CtL is van mening dat de humanitaire waarden zich binnen de mensheid hebben ontwikkeld, niet op openbaring berusten. Het christendom is als godsdienst dan ook niet exclusief, wat hij aantoont door uitspraken van Boeddha en Jezus naast elkaar te zetten.
De natuur, even wreed als schoon, is voor CtL een bitter raadsel. Hij kan niet geloven dat God achter natuurrampen en ziekte staat. Als zo vaak in dit boek gaat hij dan bij de Bijbel te rade, die hij heel hoog heeft zitten. Hij beschouwt de Bijbel nadrukkelijk niet als historisch. Hij leest daarin dat God niet achter de ziekte, maar achter de zieke staat. Soms komt een rest van zijn oude geloof boven, zoals waar hij stelt dat de ontmoeting met Jezus voor mensen het einde van hun lichamelijke aandoening kon betekenen (p. 64). Dat God niet achter menselijk lijden staat verklaart hij uit zijn opvatting dat God niet heeft geschapen, maar gescheiden, goed van kwaad, licht van duister. Materie was er al. Hij beschouwt het als de taak van mensen om te ontginnen en behoeden en in onderlinge zorg te leven en daarin iets van God zichtbaar te maken.
Ziekte zit voor CtL in de evolutie ingebakken, hij heeft geen antwoord op de vraag hoe God te relateren is aan ziekte en lijden, God weet er zelf geen raad mee. Hij erkent daarin niet de hand van God. Voor hem is er een ethische opdracht: aarde en alle leven dienen om zo een wereld zonder ziekte, geweld en slavernij, van vrede en voorspoed mogelijk te maken (p. 86).
CtL veronderstelt een transcendent Geweten, dieper dan het onze, dat ons de vraag stelt: Waar ben je mee bezig? Ook de Bijbel beschouwt de vrijheid van de mens als gegeven, waarmee verantwoordelijkheid verondersteld wordt. Als de natuur over de geest heerst, escaleert het kwaad. Niet voor niets bidt Jezus: “Verlos ons van de boze”. Ik vraag me dan onmiddellijk af wat CtL onder geest verstaat. Hij valt terug op Paulus en Jezus, maar ik zou van hem willen weten hoe hij dit aan onze bestaanswijze koppelt. Over God wordt antropomorf gesproken, als gezien door onze menselijke ogen. Anders kunnen wij niet. De verhalen berusten voor CtL niet op feitelijkheid, maar op beelden. Je kunt bijvoorbeeld niet anders dan spreken over de handen van God. Hij benadrukt het zien van en door God, het spreken in liturgische beeldtaal, maar hoe kan dit voor mensen in onze tijd?
CtL gelooft niet letterlijk in het wandelen door Jezus over het water. Maar hij ziet ook de prachtige beeldspraak niet: het water is de plaats waar de boze machten huizen en Jezus treedt dit kwaad met voeten. Dat Kaïns offer niet wordt aanvaard, omdat dit niet gepaard gaat met zorg voor de geringen in de samenleving is voor mij klinkklare nonsens, dat staat er niet. Er staat wel dat Abel van de tienden nam en Kaïn niet.
Ik moet afsluiten. Het geloof van CtL is een ethisch geloof, hij gelooft niet in God, maar wil wel diens wil volbrengen, zoals dit in de Bijbel is verwoord. Mij schiet te binnen dat hij feitelijk hetzelfde doet als Klaas Hendrikse: God bestaat niet, maar hij gebeurt. Alleen verwoordt CtL dit niet zo provocerend. We kunnen de vraag in de titel heel letterlijk nemen: Wat doen we hier in Gods naam, zonder dat hij zelf te bespeuren valt.
Wim Kleisen