donderdag 27 maart 2014


Bart Voorsluis (red.), Ongekend nieuwsgierig

 
Tijdens een symposium van de VU zijn er vier referaten voorgedragen over het thema zingeving en wetenschap. Zingeving en religie worden daarbij als tweeëenheid beschouwd. Voorsluis kadert in een inleiding het thema historisch en inhoudelijk in. Tony Tol geeft een helder overzicht van de manier waarop in het verleden over wetenschap en geloven is gedacht. Herman van Praag beschrijft in een persoonlijke beschouwing hoe hij een boedelscheiding tussen zijn wetenschapsbeoefening en zijn joodse levenswijze in acht neemt, al zijn er open lijnen tussen die twee aanwezig. Ronald Meester beschrijft juist hoe zowel zijn wetenschapsbeoefening als zijn persoonlijke leven, doortrokken zijn van religie en zingeving. Niet alles is meetbaar, bijvoorbeeld de liefde voor je kinderen, zo betoogt hij. Taede Smedes constateert in een boeiend betoog dat er in het denken over God categoriefouten worden gemaakt. Wie hem als oorzaak ziet van gebeurtenissen in onze werkelijkheid, betrekt hem binnen onze werkelijkheid en dat is onmogelijk. God is van een andere categorie. Zo is een prachtig boekje ontstaan waarin de problematiek ervan historisch en actueel op genuanceerde wijze benaderd worden.
 

woensdag 19 maart 2014



Chaim Potok, In the Beginning

De hoofdpersoon is David Lurie, in het begin van het boek nog maar een kleuter. Zijn vader heeft in Polen militaire ervaring opgedaan in de gewapende strijd tegen de Russen, heeft vervolgens een verzetsgroep opgericht die in het geweer kwam bij pogroms en heeft daarna de hele groep overgeplant in Amerika, waar zij een hechte gemeenschap vormen. David is naar zijn oom David genoemd, met wie zijn moeder verloofd was. David is bij een pogrom vermoord. Zijn vader, de broer van David, ging met zijn moeder een zwagerhuwelijk aan. We volgen het gezin door de jaren heen. In de crisis verarmt het gezin en ook de financiën van de verzetsgroep zijn verdwenen. De groep valt uit elkaar. David krijgt te maken met antisemitisme, zowel individueel als collectief. Een tot nu toe voor mij onbekende naam is die van Father Coughlin, een rooms-katholieke priester die met zijn blad Social Justice veel kwaad heeft aangericht. Na de crisis gaat zijn vader horloges repareren; deze activiteit loopt uit op een bloeiende horlogezaak. Na de oorlog blijkt de hele Europese familie te zijn uitgeroeid. Zijn moeder herstelt zich niet meer van die schok. David gaat naar de yeshiva en lijkt voorbestemd net als zijn neef Saul rabbijn te worden. Hij is een briljant Talmoedstudent en zijn leermeester, de beroemde Rav Sharfman, heeft hoge verwachtingen van hem. Maar hij leest ook andere boeken dan de klassieke Talmoedische geschriften en uiteindelijk kiest hij voor de studie Bijbelse theologie aan een niet-joodse universiteit. Met die keus wekt hij veel onbegrip. Een prachtig boek dat ons een blik gunt in de besloten wereld van het orthodoxe jodendom in de USA.

donderdag 13 maart 2014



Elie Wiesel, Mijn liefde voor de Talmoed


Zeshonderd jaar lang, vanaf de profeet Ezra, hebben de wijzen van Israël de wegwijzing van Mozes in de vijf boeken doordacht en van commentaar voorzien. Als resultaat daarvan ontstonden na de Talmoed de Misjna en de Gemara. Alle terreinen van het leven komen aan de orde in deze compilatie. Tot nu toe wordt deze wijsheid bestudeerd en vernieuwd. Wiesel beschrijft met grote liefde de wijzen uit deze vijf of zes eeuwen. Hij probeert hun woorden en daden, de verhalen die over hen zijn opgeschreven, te begrijpen en zo tot deze wijzen door te dringen. Niets menselijks was hen vreemd. Wiesel brengt de Talmoedgeleerden tot leven in dit boeiend geschreven boek, als waren het tijdgenoten. Zelfs Jezus van Nazareth komt aan de orde. Wie dit boek leest, neemt het beste van het jodendom tot zich en zal geïnteresseerd raken in de inhoud van de Talmoed, dit collectieve religieuze geheugen van het jodendom. Dit effect wordt versterkt door de indringende en heldere stijl van Wiesel. Zo wordt dit boek een prachtig eerbetoon aan de vroege exegeten van het jodendom. Het is een herdruk van Talmoedisch eerbetoon. Portretten en legenden van leermeesters van Israël (1994)

donderdag 6 maart 2014



Tjeu van den Berk, Het oude Egypte: bakermat van het jonge christendom, Zoetermeer, 20132


Belijders van het christendom zien hun religie doorgaans als een absoluut gegeven. Hun geloof is een openbaringsgeloof: zoals voor Joden de bron van het geloof de openbaring op de Sinaï is, zo is die voor christenen de openbaring van God in Jezus Christus, die, alweer doorgaans, beleden wordt als Zoon van God en Verlosser. Ik vrees dat dit boek bij hen een schok zal veroorzaken, tenzij het opzij geschoven wordt als niet ter zake.

Maar dan zou men dit boek tekort doen. Het is een gedegen studie, waaraan veel lieteratuurstudie vooraf moet zijn gegaan, gezien ook de vele literatuurverwijzingen in de voetnoten. De eerste schok die ik als lezer kreeg, was het citaat van Augustinus op de titelpagina:
Want de zaak zelf die nu ‘christelijke religie’ heet, bestond reeds bij de Ouden en is er sinds het begin van het menselijk geslacht altijd geweest. Totdat Christus zelf in het vlees kwam. Toen begon men de ware religie, die reeds bestond, ‘christelijk’ te noemen.”
Augustinus zegt hier heel duidelijk dat de verkondiging van Jezus niet nieuw was, dat die het begin van een nieuwe religie met een nieuwe geloofsinhoud was, maar dat dit in feite een kwestie van naamgeving is.
De Egyptische cultuur is de eerste en langdurigste in de menselijke beschaving. We treffen daar zichtbare archetypen aan, zoals de piramiden. Egypte was de eerste natiestaat en de bakermat van het christendom. Na de ontcijfering van het hiëroglyfenschrift door Champollion in 1822 begon men de talloze teksten te ontcijferen. Jung zag al de overeenkomsten tussen de Egyptische en de christelijke religie. Drewermann schrijft zonder meer dat het christendom ontstaan is uit de Egyptische religie. Hoe ging dit dan in zijn werk?
In Alexandrië werden zowat alle godsdiensten uit die tijd beleden. Het was een smeltkroes van cultuur en religie. Hier nam het christendom aspecten uit de Egyptische religies op. VdB noemt er een aantal:
1.     Incarnatie betreft de twee-naturenleer. In Egypte is incarnatie algemeen van aard, het materiële is spiritueel van aard. In Israël is sprake van excarnatie, het heilige trekt zich terug uit de wereld.
2.     In het christendom krijgt incarnatie weer een plaats, zoals Osiris als goddelijk mens lijdt en sterft, zo lijdt en sterft Jezus. In Vitae Prophetarum wordt verteld over de profeet Jeremia in de Egyptische diaspora. Hij werd na zijn steniging door de Joden in Egypte vereerd. Op grond van zijn profetie zouden de Egyptenaren een zuigeling in de kribbe zijn gaan aanbidden. Ook daar was sprake van een maagdelijk moederschap. De mythe van Isis die op de vlucht voor Seth Horus baarde en haar afbeeldingen doen sterk denken aan het verhaal over en de afbeeldingen van Maria. Zo blijkt een joods-christelijke verwantschap met de Egyptische mythen.
3.     Incarnatie. De bevruchting van Maria door de Geest na de aankondiging door Gabriël loopt parallel met Isis, Amon en Thoth. De triniteit van Ra, Amon en Ptah, oervader, incarnatie en geestelijke energie evenzo met de christelijke Triniteit. Amon is het ook die als de geest Gods de aarde schept. Amon = de verborgene. Philo beschrijft onder invloed van de Hellenistisch-Egyptische mysterieculten in Alexandrië het maagdelijk moederschap in platonisch-symbolische opvattingen.
4.     Triniteit. Een trinitarisch Godsbegrip komt in Egypte in veel variaties voor, waarbij Osiris vaak een van de drie personen is. Zo ook in het christelijke Godsbegrip met Christus als kern: Vader, Zoon en Geest; Geest, Maria en Zoon; bruidegom, hemelse bruid en kind (Openbaring). Soms is de moeder een hemelse moeder. In Nicea werd de eerstgenoemde triniteit als dogma vastgesteld.
5.     Opstanding. Osiris verblijft drie dagen in het dodenrijk, evenals Jezus. Dit hangt samen met de lunaire kalender, waarin de maan drie nachten (vrijwel) onzichtbaar is.
Zo kunnen we doorgaan. Afbeeldingen van Seth aan een kruis vallen samen met die van Jezus. De inwijdingen, die de auteur in Mystagogie uitvoerig beschreef, werden door het christendom overgenomen.  Het boek Openbaring zit vol Egyptische motieven. TvdB baseert zich op een onderzoek van prof. Van Henten (UVA). De draak in Op. 12 wordt herleid tot Tyfoon, een Grieks-Romeins god, die met Seth is samengesmolten. Seth achtervolgt Isis en haar kind. In zeven opzichten lopen de verhalen parallel.  De twaalf sterren zijn een astrologisch-Egyptisch motief. De adelaarsvleugels van de vrouw verwijzen naar de gevleugelde Isis. De Grieken vermengden hun godenleer met de Egyptische. Toch verschillen de Griekse en de Egyptische mythe op een aantal punten.

Tjeu van den Berk, Het oude Egypte: bakermat van het jonge christendom, Zoetermeer, 20132

Voorwoord p. 11-16
De auteur beschrijft hoe hij kennis maakte met het onderwerp van zijn boek.

Inleiding, p. 17-24

Een christelijk spoor in het Nijldal, p. 17-20
De auteur vat de theorie, die hij in dit boek wil onderbouwen, samen en beschrijft aspecten van de reis van Jung over de Nijl. Het aanschouwen van de zonsopgang is hier een bepalend element.
NB Een goede formulering vinden we in het Nawoord, zie daar.

Een cultuur, overweldigend en duurzaam, p. 21-23
De Egyptische cultuur is de eerste en langdurigste in de menselijke beschaving. We treffen daar zichtbare archetypen aan, zoals de piramiden. Egypte was de eerste natiestaat en de bakermat van het christendom.

Onze visie is niet nieuw, p. 23-24
Na de ontcijfering van het hiëroglyfenschrift door Champollion in 1822 begon men de talloze teksten te ontcijferen. Jung zag al de overeenkomsten tussen de Egyptische en de christelijke religie. Drewermann schrijft zonder meer dat het christendom ontstaan is uit de Egyptische religie.

Hoofdstuk 1. Een mythisch wereldbeeld, p. 25-48

De levensbeschouwing van de oude Egyptenaar, p. 25-28
De Egyptische religie is niet eenduidig. Je kunt er op verschillende manieren naar kijken (evolutionistisch, syncretistisch, pluralistisch en antagonistisch) met even zo veel resultaten.

De fenomenologische benadering, p. 29-32
Dit is een niet-rationele benadering van ervaringen, die als uniek worden beschouwd: het mysterium numinosum , een term van Rudolf Otto, staat centraal[1]. W.B. Kristensen uitte kritiek op Freuds theorie over religieuze mythen, waarin alle mythen als een weerspiegeling en een uitbeelding van het menselijk seksuele leven wordt beschouwd. Hij legt het accent op intuïtie.

Het Nijldal bood een natuurlijke bedding voor de goden, p. 32-34
Ervaringen worden tot zintuiglijk opgedane beelden (zinnebeelden). Die vervingen leerstellingen. Goden waren beelden van krachtige energieën, zoals Ra, die elke ochtend uit de duisternis herrijst.

De ervaring van Jung, p. 34-39
Jung ervaart in Kenia drie weken lang de zonsopgang in de nabijheid van een troep bavianen. Dan volgt een boottocht over de Nijl. Hij arriveert bij de tempel van Aboe Simbel, waar hij die zonsopgang uitgebeeld ziet Ra-Harachte, terwijl ook een grote groep bavianen is afgebeeld. De Egyptische samenleving leek veel op een privatensamenleving. Jungs conclusie: de zonnecultus ontleenden de Egyptenaren aan Afrika.


Symbool, p. 39-46
Een symbool is niet iets wat voor iets anders staat, maar: een werkelijkheid waaraan men participeert en die onpeilbaar is. “Tekens zijn codes, symbolen decoderen juist mijn werkelikheid.”

De kikker, p. 41-44
Als amfibie is de kikker het symbool van overgang: van water tot land, van chaos tot orde, van niet-zijn tot zijn, van leven naar ander leven.

De mestkever, p. 44-47
De mestkever is het symbool van wording, van de opgaande zon. Eieren gaan ondergronds, larven kruipen weer naar boven. Als amulet wordt de mestkever aan de doden meegegeven. “Eén enkel symbool drukt zich zo uit in drie dimensies: in de natuur als zon, in het politiek-maatschappelijke leven als farao en in het lot van de ziel van de individuele mens als beschermgeest.”

Tenslotte, p. 47-48
Wordings- en transformatieprocessen staan centraal in de Osiris èn de Christusmythe. Menswording van het goddelijke, verrijzenis uit de dood zijn centrale gegevens. Beide religies zijn religies van het licht. Dood en leven horen bij elkaar, bij de ondergang van de zon bereikt zij de verborgen bron van haar leven.

2. God wordt uit een maagd geboren p.49-83
Incarnatie, p. 49-51
Deze paragraaf betreft de twee-naturenleer. In Egypte is incarnatie algemeen van aard, het materiële is spiritueel van aard. In Israël is sprake van excarnatie, het heilige trekt zich terug uit de wereld. In het christendom krijgt incarnatie weer een plaats, zoals Osiris als goddelijk mens lijdt en sterft, zo lijdt en sterft Jezus.

Het goddelijk kind, p. 52-53
Bij de geboorte van een kind ervaart men dit als een wonder. Het biologisch proces wordt symbolisch beschreven als de geboorte van een goddelijk kind.

Theogamie, een sprookje, p. 53-57
Zo’n verhaal, als sprookje verteld, dateert uit + 1700 v. C. Drie zoons, als drieling geboren uit Roedjdjedet na een bevruchting door de zonnegod Ra. Cheops tracht hen te doden.

Theogamie, een mythe, p. 57-63
Hetzelfde motief vinden we in de mythe van koningin Hatsjepsoet, geboren uit de bevruchting van koningin Ahmes door de god Amon-Rah.

Theogamie, een legende, p.64-75
In Vitae Prophetarum wordt verteld over de profeet Jeremia in de Egyptische diaspora. Hij werd na zijn steniging door de Joden in Egypte vereerd. Op grond van zijn profetie zouden de Egyptenaren een zuigeling in de kribbe zijn gaan aanbidden. Ook daar was sprake van een maagdelijk moederschap. De mythe van Isis die op de vlucht voor Seth Horus baarde en haar afbeeldingen doen sterk denken aan het verhaal over en de afbeeldingen van Maria. Zo blijkt een joods-christelijke verwantschap met de Egyptische mythen.

Theogamie, een evangelie p. 75-79
De bevruchting van Maria door de Geestna de aankondiging door Gabriël loopt parallel met Isis, Amon en Thoth. De triniteit van Ra, Amon en Ptah, oervader, incarnatie en geestelijke energie evenzo met de christelijke Triniteit. Amon is het ook die als de geest Gods de aarde schept. Amon = de verborgene. Philo beschrijft onder invloed van de Hellenistisch-Egyptische mysterieculten in Alexandrië het maagdelijk moederschap in platonisch-symbolische opvattingen.

Bedoelden de evangelisten de maagdelijke geboorte letterlijk? p. 80-83
Op grond van de geslachtsregisters, waarin Jozef nadrukkelijk wordt genoemd en het Egyptische motief van veertien voorouders is overgenomen, antwoordt TvdB negatief. De statische Egyptische mythen zijn  in volkse vertellingen verwerkt.

3. Alexandrië, stad der steden p. 84-106
Inleiding, 84-85
Alexandrië is een smeltkroes: hellenisme, Egypte, jodendom en christendom vermengden hun culturen. Die laatste heeft er zijn wortels. Clemens en Origenes woonden er.

Alexander de Grote, stichter van de stad p. 85-88
Overzicht van het leven van Alexander de Grote in relatie tot de stichting van Alexandrië

De Ptolemaeërs bouwden de schitterendst stad van de Oudheid p. 88-91
Ptolemaeus I bracht Alexandrië tot grote bloei, die voortduurde onder zijn opvolgers, II en III. Beschrijving van de prachtige stad.

Drie cultuurwonderen p. 91-96
Het museum, de bibliotheek en het serapeum worden uitvoerig beschreven.

Serapis p. 96-100
De beeldvormingsgeschiedenis van Serapis en de christelijke connotaties.

Alexandrië, een Egyptische stad p. 100-103
Hier werden de Egyptische goden naast die van andere volkeren vereerd. Er ontstond een soort syncretisme. Joden en christenen bleven afgezonderd. Isis nam een zeer vooraanstaande plaats in.

Vernietiging van het Serapeum door de christenen p. 103-106
Tegenover de tolerante religieuze cultuur in Alexandrië staat de intolerantie van het christendom. Een voorbeeld hiervan is de verwoesting van het serapeum in + 390 en de moord op Hypathia in 415.


4. De Osirismythe p. 107-135
De zegetocht van een allochtone god p. 107-110
Osiris is misschien van afkomst Nubisch, maar zijn verering heeft vanaf + 3000 v. Chr.  een hoge vlucht verkregen. Begrippen als offer en het geloof als voedsel voor de ziel, als als verrijzenis van de ziel zijn met hem verbonden.

De mythe van Osiris p. 110-117
Osiris werd met Isis, Seth en Nephtys geboren uit een paring van aarde en hemel. Osiris trouwt met Isis en wordt koning van het vruchtbare Egypte. Seth, gehuwd met Nephtys, verwerft het woestijngedeelte. Hij strijdt met Osiris en doodt hem. Daarna volgen enkele uiteenlopende opwekkingsverhalen.

Osiris van Abydos p. 117-122
In Abydos is het graf van Osiris. Jaarlijks werden zijn begrafenis, drie dagen rouw en zijn opwekking ritueel gespeeld. Opmerkelijk is dat zijn lichaamsdelen in brood werden uitgedeeld en genuttigd.

Osirismysteries?  P. 122-127
Het oude Egypte blijkt geheime rituelen te hebben gekend, waaronder inwijdingsrituelen, Herodotus vermeldt ze, maar beschrijft ze niet. Een oud papyrusmanuscript bevestigt dat.

Een besloten inwijding in Abydos p. 127-131
Op grond van dat manuscript beschrijft Guilmot het inwijdingsritueel in de grafruimte van Osiris.

Het oordeel van Osiris: ook een inwijdingsritueel? p. 132-135
De dode verschijnt voor Osiris om geoordeeld te worden. Dit ritueel wordt uitvoerig beschreven op grond van teksten uit het Dodenboek. Het was waarschijnlijk ook een inwijdingsritueel.

5.      Een Egyptische Christus p. 136-149
De Christusmythe en de historische Jezus p. 136-140
VdB onderscheidt twee begrippen. Hij neemt de historische Jezus voor zeer waarschijnlijk aan, maar de mythe ontstond enkele decennia later. In Jezus´ verkondiging stonden een sociale ethiek en een mythische antropologie centraal. VdB beschouwt de kruisdood als historisch, maar relativeert het belang van historiciteit.

Overeenkomsten tussen de Christus- en de Osirismythe p. 140-142
VdB somt zeven overeenkomsten op en noemt Richard A. Gabriel als bron.

Drie dagen in het dodenrijk p. 142-145
Osiris verblijft drie dagen in het dodenrijk, evenals Jezus. Dit hangt samen met de lunaire kalender, waarin de maan drie nachten (vrijwel) onzichtbaar is.

De onsterfelijke ziel en haar oordeel p. 145-147
Alleen Egypte kent het verschijnsel van de onsterfelijke ziel. Niet Babylon en niet het jodendom.


Een persoonlijk oordeel van de ziel, p. 147-149
Alleen in Egypte bestond voor het christendom de opvatting dat de ziel van een gestorven mens zou worden geoordeeld. Dit met uitzondering van het apocalyptische jodendom uit de intertestamentaire periode. Daar gaat het om wraak op onderdrukkers, niet om een oordeel van de ziel. Blijft het probleem van het oordeel direct na de dood en dat bij de komst van de Messias. Naar mijn inzicht komt ook VdB  hier niet goed uit. Leven, sterven, verblijven in de onderwereld, na drie dagen opstaan en het persoonlijk oordeel over de ziel van de gestorven mens hebben Egypte en het christendom gemeen.

6.      De drie-ene God van Nicea, een Egyptisch symbool, p. 150-173
Osiris en Christus trinitaire personen, p. 150-153
Een trinitarisch Godsbegrip komt in Egypte in veel variaties voor, waarbij Osiris vaak een van de drie personen is. Zo ook in het christelijke Godsbegrip met Christus als kern: Vader, Zoon en Geest; Geest, Maria en Zoon; bruidegom, hemelse bruid en kind (Openbaring). Soms is de moeder een hemelse moeder. In Nicea werd de eerstgenoemde triniteit als dogma vastgesteld.

De kerkvaders sleutelden in Nicea aan een Egyptisch archedtype, p. 154-159
Ook Egypte kent een triniteit, de hemelse vader, de zoon en de geest, ook wel de adem die God inblaast in de mens, waardoor hij zich ook incarneert in die mens. Dit archetype wordt in Nicea opnieuw geformuleerd.

Een joodse triniteit! p. 159-164
Philo van Alexandrië hanteert een trinitarisch Godsbegrip. God de Vader brengt met de vrouwelijke Wijsheid de Logos voort. Hij staat hierin niet alleen in een Helleense traditie, maar draagt ook de traditie van zijn priesterlijke voorgeslacht met zich. Paulus blijkt een gnostische mystiek aan te hangen (1 Kor. 2,6 e.v.). ook Joh. 1 is door dit denken beïnvloed.

Asjera, gemalin van Yahwe[2]h, en hun beider dochter Asnath, p. 165-168
Uit archeologische bevindingen blijkt dat in Israël Asjera en Anath werden vereerd. Een langdurige Egyptische overheersing veroorzaakte deze spiegeling van de Egyptische godin Hathor.

De monotheïstische hervorming in Jeruzalem, p. 168-170
De hervorming door Josiawordt hier niet als een terugkeer naar oude waarden beschreven, maar als een breuk met het heidendom om een sterke staatsstructuur te bevorderen. Het wetboek zou niet zijn teruggevonden, maar geschreven om dit doel te bevorderen.

Joden naar Egypte, p. 170-173
In Egypte, Dafne, leefde al een Joodse gemeenschap die hier naartoe was gevlucht, omdat zij de oude verering van Yahweh, Asjera en Anath wilde voortzetten. Na de verwoesting van Jeruzalem (586 v. Chr.) voegt zich een groep vluchtelingen met Jeremia als gevangene bij hen. In 398 v. Chr. Leefden zij hier nog. Philo was een afstammeling van een oud priestergeslacht uit Dafne.


7. Egyptische mysteries in de Ecclesia Romana, p. 174-191
De inwijding van catechumenen tijdens de Paasnacht is een afspiegeling van de inwijding in de Osirisreligie ( water, zalving met olie en heilige maaltijd). Het sobere karakter van beide inwijdingen komt niet overeen met de Dionysos-, Mythras- en Isisriten. Ook aspecten als brood en wijn (in Egypte bier) en het consumeren van vlees en bloed (symbolisch!) van de godmens stemmen overeen. Een verschil is dat de Egyptische religie priesterlijk elitair was en dat de christelijke religie voor iedereen open stond.

Het ‘geheim evangelie’ van Marcus, p. 179-184
In 1958 ontdekt Morton Smith een fragment, gekopieerd, van een geheim evangelie van Marcus. Het was volgens latere onderzoekers bestemd voor catechumenen. Het betreft de opwekking van Lazarus.

De opwekking van Lazarus, p. 184-186
Ook in dit evangelie komt de opwekking van Lazarus voor. VdB belicht verschillen tussen deze versie en die van Johannes.

Een Osiriaans inwijdingsritueel, p. 186-190
Het verhaal van Lazarus is verteld in de Alexandrijnse allegorische traditie. Het is een mysterie dat  gespeeld werd. Dit mysteriespel staat in de Osiristraditie. Osiris + Asar (Eg.) ˃ El-Asar (Hebr.) ˃ Lazarus-Anoe of Ani(Eg.) ˃ Bethanië (Hebr.). Anu wacht Horus op ∞ Jezus wekt Lazarus op.
Osiris: twee zusters: Isis en Nephtys ∞ Lazarus: twee zuster: Maria en Marta
Nephtys wordt afgebeeld met een huis op het hoofd: godin van de haard ∞ Maria verzorgt het huis
Eg. ‘merty’ (tweevoud van ‘mery’) ∞ mertae (Lat.) ∞ Marta
Horus, zoon van god Osiris, wekt Osiris op ∞ Jezus, zoon van God, wekt Lazarus op
De dood van beiden wordt slaap genoemd. Beiden worden van hun wikkels ontdaan. Beiden verblijven vier dagen in het graf.

Maria Magdalena, p. 190-191
Volgens VdB was Maria Magdalena, mystiek gezien, de geliefde van Jezus. De scène in de hof (Joh. 20,13-18, WK) weerspiegelt het verhaal van Isis en de opwekking van Osiris. De tuinman bewerkt de tuin, d.i. het vrouwelijk lichaam. Het jonge christendom heeft waarschijnlijk onbewust de Egyptische rituelen in zijn rituelen en verhalen verwerkt.

8. Het jonge christendom in Alexandrië, p. 209
Inleiding, p. 192-193
In de diaspora leefden Joden minder rigoureus volgens de Mozaïsche voorschriften. Zo ook de eerste Joodse christenen.

Joden in Alexandrië, p. 193-195
Joden in de diaspora, met name die in Alexandrië, helleniseerden in hoge mate.

De eerste Joodse pogrom in de geschiedenis, p. 195-200
Tegenstellingen tussen Grieken en Romeinen leiden tot een pogrom in 38 n. Chr. , waarbij duizenden Joden worden vermoord. Uiteindelijk heeft Alexandrië vrijwel geen Joodse burgers meer. Ook christenen lijden hieronder, maar geleidelijk kiezen zij voor een eigen positie.

Eerste christenen in Alexandrië. P. 200-204
De christelijke gemeenschap in Alexandrië kende een breed spectrum van opvattingen, waarbinnen vrijheid van denken bestond. Hier moeten veel gnostische denkers actief zijn geweest. Bisschop Demetrios (189-231) maakt hier een einde aan en voegt zich in de hiërarchische structuur van Rome. Origenes, een van de belangrijkste denkers binnen de beroemde catechetische school, verlaat de stad. Het concilie van Chalcedon plaatst de Koptische kerk met alle gnostische stromingen buiten de kerk van Rome.

Eén indirecte, vroege getuige: Apollos, p. 204-206
Uit het feit dat iemand als Apollos door de christenen in Alexandrië in + 50 als missionaris werd uitgezonden, blijkt dat er toen al een stevige christelijke infrastructuur moet hebben bestaan.

Joden die Abraxas en christenen die Serapis vereerden, p. 206-209
De religies in Alexandrië vertoonden een sterk syncretistische inslag, getuige deze titel.

9. Vier christelijke sporen in het Nijldal, p.210-241
Inleiding, p. 210-213
VdB gebruikt de evolutiegedachte met betrekking tot de vinkensoorten op de Galapagoseilanden in de beschrijving van de sterk gedifferentieerde christelijke religie in het Nijldal. Het concilie van Nicea veegde dit van de kaart.

Seth-Christus aan het kruis, p. 214-218
Een afbeelding van Christus aan een T-vormig kruis  zou veel aannemelijker Seth kunnen voorstellen, gezien de ezelskop, de aanbidding met een handkus en de Y-vorm ernaast.. bovendien werden er in de tijd van ontstaan nog geen afbeeldingen van Christus gemaakt. De naam Seth is ook die van de zoon van Adam. In de gnostiek vallen nu de Egyptische god, de zoon van Adam en Jezus samen.
1.     Seth en Jezus zijn gekruisigd.
2.     Seth en Jezus werden in de zij gestoken. Daarmee vloeit dan de hellenistische god Abraxas weer samen. In de Koptische kerk leeft dit nog lang voort. In die traditie komt Seth ook weer voor als St. Joris, de drakendoder.

Seth-Joris en de draak, p.222-226
Elke ochtend moet de zonnegod Ra, geholpen door Seth, zijn opkomst uit de zee bevechten op de reuzenslang Apopis, de verpersoonlijking van het kwaad. Dit archetype evolueert geleidelijk naar St. Joris, de drakendoder.

De rijke vrek en de arme Lazarus, p. 226-232
TvdB vat zelf samen: “… het is een Egyptisch sprookje (waarin naast eeuwenoude Egyptische ook hellenistische motieven verweven zijn), door Alexandrijnse Joden in het koine-Grieks vertaald. Daar werd het weer in allerlei Aramese versies bewerkt en een van die versies kan de historische Jezus ter ore zijn gekomen. In ieder geval heeft de evangelist, het hem in de mond gelegd”.
Het feest van de maagd die een kind baarde, p. 232-241
De Egyptenaren vierden op 24/25 december het feest van de geboorte van de zonnegod Ra, (Gr. Helios). Op 5/6 januari vierde men in Alexandrië het feest van de geboorte van Aïon (= eeuwigheid of wereldtijdperk) uit Kore (=maagd). Het kruis als symbool is geënt op het anchteken ( anch = leven). De verschillende aspecten van Epifanie, het verschijnen van Jezus als Licht de wereld, de doop in de Jordaan en het veranderen van water in wijn (iets later) zijn alle terug te brengen tot de viering van de geboorte van Osiris op 6 januari.

10. Een vrouw verscheen aan de hemel, p. 242- 263
Een zegetocht zonder weerga, p. 242-245
Nadat Egypte door een reeks volkeren overheerst wordt, wint de Isis-Osirisreligie overweldigend terrein. Overal in het Romeinse rijk staan Isistempels.

Una quae est omnia ‘[Gij (de Ene) die alles zijt], p. 244-248
Isis verenigt alle Egyptische en andere godinnen in zich, wat blijkt uit de roman Metamorphosen van Apuleius, waarin Lucius haar aanbindt in bewoordingen die gedeeltelijk ook Maria hadden kunnen aanduiden, zoals ‘Stella Maris’. Heeft ook Paulus haar vereerd (Hand. 18,18)?

‘Ik ben Die was, Die is en Die zijn zal’, p. 248-250
Gerard Reve besefte heel goed de voortzetting van Isis door Maria. Zijn verering ging van haar, de maan, over op Maria.

‘Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw’, p. 250-254
VdB verklaart de symboliek van de vrouw uit Op. 11. het beeld van deze vrouw staat voor Maria.

De verschijning van de grote moedergodin, p. 255-257
 De vrouw aan de hemel is de moedergodin. De draak die dit kind belaagt, is Seth, die het kind van Isis bedreigt, Osiris is de verwekker. Zo blijkt dit Bijbelgedeelte Egyptisch-heidens te zijn, wat Quispel ook al betoogd heeft. Hij zag in dit drietal, Osiris, Isis en het kind, een grondvorm van de Triniteit, waarin Isis, de zonnevrouw, de Heilige Geest is.

Openbaring 12, een Egyptische mythe, p. 257-262
TvdB baseert zich op een onderzoek van prof. Van Henten (UVA). De draak wordt herleid tot Tyfoon, een Grieks-Romeins god, die met Seth is samengesmolten. Seth achtervolgt Isis en haar kind. In zeven opzichten lopen de verhalen parallel.  De twaalf sterren zijn een astrologisch-Egyptisch motief. De adelaarsvleugels van de vrouw verwijzen naar de gevleugelde Isis. De Grieken vermengden hun godenleer met de Egyptische. Toch verschillen de Griekse en de Egyptische mythe op een aantal punten.

‘Het komt de bruid toe in de hemelse vertrekken te wonen.’, p.263
Het dogma van Maria-ten-hemel-opneming, door Pius XII in 1950 afgekondigd, geeft Maria de plaats die haar toekomt, Isis is weer aan de hemel verschenen, Sofia is met de godheid herenigd.

Nawoord, p. 265-269
‘Het christendom, in haar algemene zuiverheid, werd de exoterische uitdrukking van de esoterische doctrines van de poëzie en wijsheid van de oudheid.’
(Shelley)

“Twee jaar voor zijn dood leest Augustinus (354-430) al zijn werk nog eens in chronologische volgorde door. Hij merkt daarbij regelmatig op dat hij bepaalde dingenn anders had moeten schrijven. Hij werkt ze om, corrigeert passages en voegt nieuwe ideeën toe. Deze aantekeningen groeien uit tot een boek: Retractationes. Het is een goudmijn geworden. Een van zijn meest fameuze ‘herzieningen’ staat in paragraaf 12 vab deel I.
‘Wanr de zaak zelf die nu “christelijke religie” heet, bestond reeds bij de Ouden en is er sinds het begin van het menselijk geslacht geweest. Totdat Christus zelf in het vlees kwam. Toen begon men de ware religie, die reeds bestond, “christelijk” te noemen.’

Ik weet nog heel goed dat ik enigszins perplex was toen ik, alweer jaren geleden, dit citaat voor het eerst las. Hij raakt volgens mij de kern van de thematiek van mijn boek.
De christenen vonden niet zozeer nieuwe beelden en symbolen uit, maar wisten hun boodschap te structureren op basis van de reeds universeel aanwezige archetypen. Het geheim van hun kerstening was dat de boodschap zó gepresenteerd werd, dat de andersdenkende die als een afspiegeling zag van wat er in zijn eigen ziel plaatsvond. De materia van de christelijke leer is oeroud, het format is jong en eigentijds.

‘Het bestond reeds bij de Ouden!’ In dit boek zijn wij één van die ‘Ouden’ tegengekomen, de Oude Egyptenaar. We hebben vastgesteld dat tal van ‘genoemde’ christelijke waarheden in feite al duizenden jaren bestonden in het Nijldal: goddelijk zoonschap, incarnatie, theogamie, maagdelijke geboorte, goddelijke drie-een-heid, verrijzenis uit de dood, verblijf in de onderwereld, onsterfelijke ziel, mysterie-inwijding, rituele wassing, heilige maaltijd, geboortefeesten, paasfeesten, moedergodin.

 Wie heeft zich niet eens afgevraagd hoe het mogelijk is geweest dat een nietige joodse groepering (want zo moeten buitenstaanders het vroege christendom toch gezien hebben) in staat bleek te zijn om metterdaad een hele cultuur, die toch reeds op allerlei wijzen religieus van aard was, ten diepste aan te spreken? Wat kon heidenen als heidenen zo aantrekken in dit geloof dat zij in enkele eeuwen haast massaal daartoe overgingen? Dat kwam onder meer omdat het typisch eigene van deze religie zo moeilijk te zien was. Het ontleende namelijk op een haast ongegeneerde wijze haar voornaamste opvattingen aan de haar omringende cultuur. De grote kracht van het christendom bleek juist te liggen in het kunnen aanwenden van vreemd erfgoed. Sommige onderzoekers spreken in dit verband over de bekering van het christendom en niet zozeer tot het christendom.

Het christendom ging uitgesproken syncretistisch te werk. Haar eigen karakter bestond erin dat zij de universele, religieuze aanspraken van de Ouden centraliseerde rond een historische persoon, Jezus van Nazaret, een unieke verschijning in de wereldgeschiedenis. De uitstraling van zijn persoonlijkheid was van dien aard dat hij uitgroeide tot een mythe.

We hebben ook gezien dat de relatief grote weerklank die de christelijke boodschap over de hele wereld heeft genoten, sterk samenhing met het feit dat juist de hellenistische cultuur zelf uitermate syncretistisch en universalistisch van aard was. Het politiek-culturele unificatieproces dat onder Alexander de Grote begon, en dat zijn centrum had in Alexandrië, kent zijn weerga niet in de wereldgeschiedenis. Exclusieve en particularistische levensbeschouwelijke standpunten werden daarin in principe en dikwijls ook in feite overwonnen. Etnische restricties brokkelden af. In deze cultuur is het christendom tot stand gekomen en het werd er fundamenteel door gekenmerkt.

We hebben verder gezien dat dit christendom sterke joodse wortels had. Het was een jodendom dat van die hellenistische, vrijzinnige geest vervuld was. Het stond op gespannen voet met het monotheïstische, ritueel strikte jodendom in Jeruzalem en was met name te vinden in de diaspora. In de tweede eeuw is het uit de geschiedenis verdwenen, maar in de eeuwen rond het begin van onze jaartelling was het zeer krachtig. In de filosofie van dit jodendom hadden ook Oud-Egyptische symbolen een plaats, zoals een drie-ene god en een maagdelijk moederschap. Dit joodse type christendom was buitengewoon universeel van aard. ‘In Christus’ is, volgens de auteur van de brief aan de Kolossenzen, ‘geen sprake’ meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skyten, slaven of vrijen’ (Kol. 3,11).

De godsdienstfenomenologen leerden ons op wat viir wijze de eerste christenen in hun levensbeschouwing aansloten bij de mythen en symbolen van de Oude Egyptenaren, hoe een dergelijk symboliseringsproces in zijn werk ging. Het is niet zo, stellen zij, dat wij beelden ontlenen, aan andere culturen, maar dat die beelden zelf ons bewust drijven. Een beeld, elk beeld, is van binnen uit gericht op de vervulling van zijn zin. Afdalen in het water van het Osireion in Abydos of in het baptisterium in Rome beantwoordt aan een identiek, onbewust verlangen, namelijk dat van ingewijd (willen) worden. Dat is inherent aan de symboliek van de wijze waarop ‘water’ in onze verbeelding bestaat. Op dit (onbewuste)  vlak vond de kerstening plaats. We moeten eigenlijk zeggen: vond de verheidensing plaats. Want kerstening veronderstelt verheidensing. Mirce Eliade, de grote godsdienstfenomenoloog, schrijft:
‘Doordat het christendom de grote beelden en symboliseringen van de mens der natuurgodsdiensten overnam, heeft het tevens hun krachten en inwerkingen op de diepst lagen van de psyche meegekregen. Ook al is de mythische en archetypische dimensie voortaan ondergeschikt aan een andere (dat wil zeggen de christelijke), toch is zij daar niet minder werkelijk om geworden. (…) Dat Christus en de kerk zich hebben aangesloten bij de grote oerbeelden – zoals de zon, de maan, het hout, het water, de zee enzovoort – betekent dat de affectieve krachten, die daarmee worden aangeduid, “geëvangeliseerd” zijn.

De affectieve krachten van de heidenen werden geraakt door de gekerstende mythes van Isis, Osiris en Seth, door de gekerstende rituelen van de ‘goede week ‘van Abydos, door de gekerstende rituele maaltijden en wassingen in de Egyptische tempels, door de gekerstende Sint-Joris en zijn draak.

De meest vernieuwende renovatie van het christendom was volgens Eliade echter dat het de historie zelf heeft geheiligd. Het heeft laten zien dat het heilige, de Heilige zich geïncarneerd heeft en van de Olympus is afgedaald. Er heeft een hiërofanie van de geschiedenis plaatsgevonden.

Maar juist in deze studie hebben wij gezien – en daarom mag er een kanttekening geplaatst worden bij de opvatting van Eliade – dat het heilige in het christendom niet zozeer van de Olympus is afgedaals als wel uit het Nijldal is opgeklommen! Waar het al duizenden jaren een beleefde werkelijkheid was.

Van Tertullianus is de beroemde uitspraak: ‘de menselijke ziel is van nature christelijk’ (anima humana naturaliter christiana). Diepzinnig, zeker, maar Augustinus draait die om: ‘de christelijke ziel is van nature menselijk’ (anima christiana naturaliter humana). Deze visie speelt door alles heen in dit boek, maar wat bovendien in dit boek duidelijk is geworden, is de overtuiging dat, cultureel gezien, deze christelijke ziel van Egyptische makelij is. Anima christiana culturaliter egyptiaca!

                                                                                             



[1] Men beschouwt de wereld als een mysterium fascinosum et tremendum, als een geheim dat zowel huiveringwekkend als fascinerend is.
[2] Ook wel: El

vrijdag 28 februari 2014



Ellen van Wolde, Bijbelse scheppingsverhalen
In: Palmyre Oomen en Taede Smedes (red.), Evolutie, cultuur en religie

 

Een paar maanden geleden besprak ik het boek van Oomen en Smedes voor u. Ik was er toen positief over en echt enthousiast was ik over het artikel van Ellen van Wolde. Ik heb toen beloofd er later op terug te komen, wat ik nu doe.
Zij begint met een poëtische tekst, die te lang is om te citeren. Eén citaat sta ik mij toe:
Soms is literatuur een instrument om na te denken
over de wereld van onszelf en die van anderen.
Zij herinnert ons eraan dat we graag over “het begin” nadenken en dat dit voor de bijbelschrijvers dus niet ongewoon is. Ze plaatst dan een hele lijst van teksten uit canonieke en apocriefe boeken die hier blijk van geven. Dan kondigt ze aan zes daarvan te bespreken met inachtneming van vier grondvragen die zij opnoemt. Het betreft wereldbeeld, startpunt en thematiek van de tekst en het woordgebruik voor het maken van het universum.
Uiteraard begint Van Wolde met het Genesisverhaal. Ze bespreekt het uitvoerig en komt, als ze let op het woordgebruik op driewoorden voor de scheppingsactiviteit: bara (scheppen), asa (maken) en badal (scheiden). Op grond hiervan vertaalt ze vers 1 met “In het begin toen God de hemel en de aarde scheidde…”. Ze gaat hier zeer uitvoerig op in. Indertijd is er in de pers nogal wat aandacht besteed, maar men kwam niet veel verder dan dat zij scheppen en scheiden wilde onderscheiden. Dat werd zo globaal beschreven, dat het heel eenvoudig was op haar theorie te schieten, wat dan ook volop gebeurde. Hier zet zij zelf heel precies en uitvoerig uiteen hoe haar exegese nu eigenlijk luidt en daarin is ze voor wat mij betreft overtuigend. De woorden scheppen en scheiden komen elk zeven keer voor. Van Wolde herinnert eraan dat het volk Israël gescheiden moest blijven van de omliggende wereld, dat de priesters daarop moesten toezien en dat dit scheidingsprincipe zo ook in dit verhaal is gehanteerd.
Dan verwoordt Ellen van Wolde het verhaal heel poëtisch. Ze doet dit na elk scheppingsverhaal. Ik citeer het begin:
Awater
Aanvangend met scheiden
Ruimte makend tussen hemel en aarde
Aarde grondeloos nog, alom water en duisternis
Adem blaast de wateren uiteen.
Daarna worden de zeven dagen herdicht, waarbij de zevende dag als gescheiden van de zes overige dagen wordt verwoord.
Het tweede scheppingsverhaal, dat in Gen. 1 en 2 direct op het eerste volgt, komt dan aan de orde. Hier staat de nauwe relatie God – mens- aardbodem centraal. De mens wordt uit materie gevormd, maar de adem Gods wordt daaraan toegevoegd, dit in tegenstelling tot de dieren.
De andere passages die llen van Wolde bespreekt, zijn:
v    Jes. 40, 12 en 21-26
v    Job 28, 20-28
v    Spreuken 8, 22-31
v    2 Makkabeeën 7, 20-29.
In de afsluiting vat Ellen van Wolde de hoofdzaken uit haar artikel samen, hemel en aarde worden gescheiden, dieren en de mens worden geschapen, de oerwateren worden begrensd door de adem Gods. Haar laatste zinnen luiden: “Beïnvloed door de eigen leefwereld, kennis, visie en metaforisch voorstellingsvermogen poogden mensen zo telkens weer om het begin te begrijpen en te verbeelden. Toen reeds waren de visies op het begin in beweging.”  Hiermee geeft ze duidelijk aan dat volgens haar van een letterlijk geloof in deze verhalen geen sprake kan zijn. Heschel schrijft hierover: “wat de profeten in de Natuur voelen, is niet een afspiegeling van God, maar een heenwijzing naar Hem. De Natuur is niet een deel van God, maar meer een vervulling van Zijn wil.”

Wim Kleisen

vrijdag 21 februari 2014



In Letter & Geest (Trouw) van 25 juni 2005 schreef Jerker Spits het postmodernisme af. We moeten weer terug naar de traditionele canon, aldus zijn mening. Hij vat een mening van Leo Strauss samen: “Volgens Strauss is het westerse denken door verschillende revoltes die zich tegen zijn eigen beschavingsideaal keerden, de weg kwijtgeraakt. De band met het eigen verleden is met geweld doorgesneden. Het is daarom moeilijker geworden de belangrijke auteurs uit de westerse beschaving te begrijpen. Maar voor wie kennis van zijn eigen verleden wil hebben, is deze studie onontbeerlijk. Belangrijk is volgens Strauss vooral dat een lezer niet direct zijn mening uit, maar kennis probeert te vergaren door een zekere afstand tot de tekst te bewaren. Ook moet de lezer de belangrijke boeken uit de westerse filosofie en literatuur niet opsluiten in hun historische context. Hij dient te beseffen dat hun inhoud voor alle tijden geldig is. Het in zijn tijd opkomende cultuurrelativisme veroordeelde Strauss scherp: ‘Als alle culturen relatief zijn, dan is kannibalisme een kwestie van smaak.’
Zijn recollection of the immense loss (het weer in herinnering brengen van het immense verlies) maakt Leo Strauss voor de huidige tijd tot een buitengewoon relevante denker. Het is dan ook jammer dat in het huidige cultuuronderwijs geen enkele aandacht is voor zijn herinterpretatie van canonieke auteurs. We zouden veel van Strauss kunnen leren. Serieuze reflectie op de geschiedenis van het westerse denken is de enige uitweg voor wie terug wil keren naar een waarheid die historische gebeurtenissen overstijgt.
In navolging van Strauss zouden de Nederlandse letterenstudies niet dienen te kiezen voor een restauratie, maar voor een renaissance: voor het hervinden van een westerse canon die door modieuze opvattingen aan het zicht onttrokken is geraakt. Een lijst van belangrijke en invloedrijke werken uit de westerse beschaving, gebaseerd op haar eigen christelijke, joodse en humanistische wortels. Een duidelijke keuze: niet uit trots, niet uit ‘hegemoniaal machtsdenken’ of uit blindheid voor de waarde van andere culturen, maar om te begrijpen wat het Westen uniek maakt en wat onze identiteit bepaalt. Het postmodernisme is een dwaling die ons heeft vervreemd van de belangrijkste erflaters van onze beschaving en daarmee ook van onszelf.
Het is tijd geworden vaarwel te zeggen tegen het taboe op waardeoordelen, tegen het cultuurrelativisme. Er zijn zoveel prachtige boeken te ontdekken, zoveel belangrijke schrijvers van wie de werken achter een mistig rookgordijn van modieuze opvattingen zijn verdwenen. Mij staat, als ik denk aan de rijkdom van de westerse beschaving en de geringe vertrouwdheid van mijn leeftijdgenoten hiermee, een beeld voor ogen waarmee de Duitse schrijver Botho Strauss de vergetelheid van het moderne Westen betreurde: ‘Het is jammer, buitengewoon jammer. De overlevering verwelkt buiten de poorten als een lading kostbaar voedsel, waarvan de bevolking vanwege een geschil over invoerrechten moet afzien.’ ”
Een mooi artikel. Het nieuwe leren zou op grond hiervan al kunnen worden afgeschaft.

Gelezen

Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen
Ad Verbrugge publiceerde alweer ongeveer tien jaar geleden geleden Tijd van onbehagen. Je kunt niet alles lezen en je kunt niet alles onmiddellijk lezen. Ik ben er nu toch aan begonnen. Het eerste essay raakt meteen. Eigenlijk lijken zijn gedachten op die van Jerker Spits, maar die is bezig met cultuur en Verbrugge is betrokken op ethiek, op waarden. De laatste alinea van dit eerste essay, ‘Zinloos’ geweld. Misdaad en straf in een tijd van cultuurverlies, is een samenvatting van dit artikel:
“Een samenleving die geen werkelijke deugd nastreeft en het eigen kwaad niet onderkent, is een samenleving die zich ook niet kan verzoenen met het geweld waaraan zij blootstaat. Geweld lokt in dat geval slechts meer geweld uit en de woestenij groeit. Aldus ontpopt zich het proces dat Friedrich Nietzsche ooit aanduidde als het nihilisme. Zo bezien is zinloos geweld precies wat het is: het geweld dat in zijn zinloosheid de tendens of zin van de moderne samenleving zelf aanduidt, namelijk zinloosheid. Het is deze zinloosheid die zich in het zinloze geweld op zichzelf wreekt. Zij openbaart aldus de nietigheid van zin. Maar juist in de vernietigende uiting van het nihilisme manifesteert zich zijn wezen, namelijk dat het niet met zichzelf kan leven en door het goede moet worden verlost. Het is deze zin waar deze oproep tot een herbezinning op onze samenleving op uit is.”

Het tweede essay uit Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen, Grenzen van de markt.
Verbrugge geeft aan het slot van dit ook weer boeiende en behartenswaardige essay weer zelf globaal een samenvatting. Die is niet leesvervangend, maar wel informatief voor de inhoud:
“We zien zo de innerlijke tegenspraak van de moderne markt, met name in haar neoliberale totaalmanifestatie. Door de grenzeloze exploitatie van de consumptieve levenshouding vanuit de illusoire suggestie van individuele vrijheid en de daarmee samenhangende suggestie van individuele afbraak van kleinschalige verbanden ondermijnt ze uiteindelijk zichzelf, zowel in biologische als in culturele zin. Deze laatste ondermijning manifesteert zich in een toename van geweld en corruptie, juridificatie, disciplineproblemen, gebrek aan vorming bij de burgers, gezinsproblemen, enzovoort. De markt op zich kan niet haar eigen gezondheid bewaren, maar heeft daarvoor ook (kleinschalige) sferen nodig die niet in haar termen te besturen of te begrijpen zijn. dit zijn de elementaire sferen waarin de mens deugdelijk wordt gevormd tot een gemeenschapswezen dat zijn eigen vrijheid aankan en die hem de immanente zin van het leven met anderen doen ervaren. De grenzen van deze sferen zal de markt moeten respecteren en koesteren, wil ze op lange termijn niet aan haar eigen kortetermijnsucces ten onder gaan. Wat het respect voor deze grenzen concreet zou betekenen en hoe zij ook betrekking hebben op onze houding tot de natuur, kan in het kader van dit essay helaas niet nader worden uiteengezet.
De problematiek van de huidige culturele desintegratie hangt hier niettemin direct mee samen. Wanneer onze samenleving te weinig gemeenschappelijke vormen en symbolen uitdraagt (zoals om te beginnen die van de eigen taal), die een positieve invulling geven aan het Nederlanderschap, dan dreigt de gemeenschappelijke sfeer waarin de allochtone medemens zou moeten worden geïntegreerd zelf vormloos te raken. Die kan op die manier niet zijn ‘vorm’ vinden in de westerse wereld en raakt ontworteld – en daarmee vatbaar voor asociaal gedrag – of blijft verkrampt vasthouden aan de gebruikelijke vormen van het thuisland en verzet zich juist tegen de wereld waarin hij leeft. Het bestaan van fundamentalistische sympathieën in ons land is in die zin ook een teken van gebrek in onszelf en in ieder geval een gevolg van een cultureel laissez faire, of beter nog een cultuurverlies. Datzelfde geldt al voor de slogan van een ‘multiculturele samenleving’, omdat daarin nu juist de noodzaak van een nieuwe culturele eenheid en gemeenschap wordt miskend. Een pluraliteit van levenswijzen kan alleen dan in een deugdelijke samenlevingsvorm uitmonden, wanneer deze pluraliteit binnen één gemeenschap en dus cultuur vorm krijgt. Alleen dan namelijk kunnen de leden ervan zich ook wezenlijk op elkaar betrokken weten. Integratie is in die zin ook een wederzijds proces van culturele vergroeiing. Dat is niet het geval wanneer deze pluraliteit van levenswijzen resulteert in zelfstandige en van elkaar afgesloten gemeenschappen, oftewel culturen, waarvan de leden bovenal aan hun eigen etnische herkomst en groep blijven hangen, zodat deze gemeenschappen geen wezenlijke geschiedenis en gebruiken zullen gaan delen. Daardoor zullen ze zich ook nauwelijks met elkaar verwant, laat staan verbonden kunnen voelen, hanteren ze mogelijk zelfs een eigen uitsluitingspolitiek, desintegreert de nationale gemeenschap en wordt uiteindelijk de mogelijkheid van etnische spanningen reëel.
Gedreven door de economische bruikbaarheid van werkkrachten, dan wel de morele zelfvoldaanheid over het helpen van asielzoekers, heeft de politiek correcte overheid, onder het mom van de individuele vrijheid en welbvaart van de burgers, het integratiebeleid lange tijd op zijn beloop gelaten, zonder voldoende te beseffen dat er heel wat voor nodig is, zelfs voor een geboren Nederlander, wil iemand zich daadwerkelijk lid weten van een gemeenschap. De abstracte droom van een multiculturele samenleving diende daarbij nogal eens als een argument voor deze opstelling: we moeten de ander en zijn cultuur respecteren of hem er zelfs in steunen zijn culturele identiteit te beware. Juist deze opstelling heeft echter integratie in de weg gestaan en de frustraties daarover – zeker ook bij de verscheidene allochtone bevolkingsgroepen zelf – in het leven geroepen. Dit beleid heeft voor een aanzienlijk deel de onvrede over Paars teweeggebracht, met name bij dat deel van de bevolking dat de problemen van de integratie aan den lijve heeft ondervonden
Wat de Nederlandse moslimbevolking betreft: deze zal hoe dan ook Nederland als haar nieuwe vaderland moeten aanvaarden, met alle consequenties van dien. Haar levenswijze zal mede op de Nederlandse gemeenschap in haar geheel dienen te worden afgestemd – voorzover dat nog niet is gebeurd. Daartoe echter zal de Nederlandse overheid bepaalde grenzen moeten stellen aan de vrijheid van het individu. Het gaat hier evenwel om grenzen die uiteindelijk ook de autochtone bevolking betreffen (en die zeker ook niet zonder gevolgen kunnen blijven voor de vrije markt).
Wellicht zelfs dient de Europese islam een reformatie te ondergaan, waarin hij de innerlijkheid en waarde van het vrije individu tot een diepe waarheid van zijn geloof maakt. Omgekeerd is het echter ook van belang om bij onszelf te rade te gaan en te onderkennen dat er wellicht een kern van waarheid zit in de aantijging vanuit islamitische hoek, dat toch ook onze moderne samenleving haar kwaad heeft als haar eigen schaduw, namelijk daar waar zij overal de vrije markt en de commercie laat begaan en in het prediken van het vrije individu van geen kwaad wil weten. Alleen immers wanneer een politieke gemeenschap zich daadwerkelijk richt op de juiste vorming van haar burgers, mag zij zich ook werkelijk beschaafd noemen. Daarmee zouden we dan wederom een oude wijsheid eren, namelijk dat je grootste vijand niet van buiten komt, maar van binnen.”
Weer een essay van Ad Verbrugge gelezen, het vijfde: De vorming van Europa. Hij legt uit waarom de preambule van de grondwet al niet deugt. Europa gaat volgens hem de verkeerde kant uit. Ik noem zo maar wat argumenten:
Ø     De economie wordt niet gestimuleerd, maar beknot.
Ø     De burger is niet betrokken bij Europa.
Ø     De managers hebben geen grondvlak in Europa.
Ø     De regeringsleiders hebben hun eigen belangen, die niet altijd die van de burgers zijn: Ik citeer: “Zelfs met betrekking tot Ruud Lubbers en Wim Kok bestaat het vermoeden dat de persoonlijke ambitie om te zijner tijd een hoge positie te bekleden in het instituut Europa, een rol heeft gespeeld in de hoge nettobijdrage die Nederland al geruime tijd aan Europa afdraagt.”
Ø     Een culturele verbondenheid die de eenheid zou moeten dragen, ontbreekt.
Ø     De bureaucratische wet- en regelgeving wekt ergernis, terwijl waar eenheid zou moeten zijn, zoals in de terreurbestrijding, die ontbreekt.
Ø     De democratische structuur is volstrekt onvoldoende.
Verbrugge hoont het idee van een Europese president weg.
Als alle Nederlanders, die dit essay begrijpend kunnen lezen, dit gelezen hadden, was het aantal tegenstemmers bij het referendum nog veel groter geweest.
Het zesde essay van Ad Verbrugge in Tijd van onbehagen, De dood van God? Hij heeft steeds over het begrip cultuur geschreven en gaat hier op boeiende wijze in op wat hij daaronder verstaat. Ik ga niet op het hele essay in, maar vermeld wel dat hij uitvoerig de verlichting behandelt. Die wordt altijd door bestrijders van religie gebruikt als argument, maar dat is volgens hem ten onrechte. De Verlichting was als zodanig geheel niet afkerig van godsdienst. Verbrugge wil juist dat wij begrippen als nationaal gevoel, gezamenlijk godsdienstig beleven en de daarmee samenhangende normering gaan toepassen in ons maatschappelijk verkeer. Hij stelt daarbij duidelijk dat hij niet terug naar vroeger wil. Maar een nationale identiteit houdt in dat we een gezamenlijke geschiedenis achter de rug hebben en die ook meedragen. Dat heeft consequenties voor nu. Ik doe hiermee Verbrugge geen recht in wat hij schrijft, daarvoor is het te uitvoerig en subtiel.

Het zesde essay van Ad Verbrugge in Tijd van onbehagen, De dood van God? Hij heeft steeds over het begrip cultuur geschreven en gaat hier op boeiende wijze in op wat hij daaronder verstaat. Ik ga niet op het hele essay in, maar vermeld wel dat hij uitvoerig de verlichting behandelt. Die wordt altijd door bestrijders van religie gebruikt als argument, maar dat is volgens hem ten onrechte. De Verlichting was als zodanig geheel niet afkerig van godsdienst. Verbrugge wil juist dat wij begrippen als nationaal gevoel, gezamenlijk godsdienstig beleven en de daarmee samenhangende normering gaan toepassen in ons maatschappelijk verkeer. Hij stelt daarbij duidelijk dat hij niet terug naar vroeger wil. Maar een nationale identiteit houdt in dat we een gezamenlijke geschiedenis achter de rug hebben en die ook meedragen. Dat heeft consequenties voor nu. Ik doe hiermee Verbrugge geen recht in wat hih schrijft, daarvoor is het te uitvoerig en subtiel. Lezen!

Gelezen

Het laatste essay, “Wat is de Matrix?”, gaat in op de film Matrix. Ook hier gaat het om de vraag naar de functie van religie, naar bovenindividuele “machten”, - lees maar: invloeden, drijfveren, om de verveling en sexualisering als gevolg van de hang naar individueel genot, in deze tijd. Verbrugge trekt een mooie vergelijking met de aardgeest als materie. De aardgeest, die in de mensen vaardig kan worden en hen tot verschrikkelijke agressie kan aandrijven. Wij hebben weinig of geen individuele vrijheid, maar ‘we moeten mee met de “geest van de tijd”’. Een mooie afsluiting van een prachtig boek., dat je beter zelf kunt lezen dan op mijn summiere aanduidingen af te gaan: Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift.