zaterdag 24 mei 2014

Norman Geisler en Frank L. Turek, Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn

In 2006 plaatste ik op mijn toenmalige weblog een bespreking van dit boek. Dit bericht heeft de meeste reacties op mijn weblog opgeleverd. Het waren er heel veel en het ging jarenlang door. Uiteindelijk stierf de weblog een zachte. maar toch wat trieste dood als gevolg van de vele 'verhuizingen' naar andere uitgevers. De voorlaatste verhuizing veroorzaakte voor tekens als bijvoorbeeld de 'ä' de gekste tekens op. De laatste verhuizing moest ik zelf uitvoeren. De instructies waren zo moeilijk dat de verhuizing mislukte. De weblog verdween van internet. Gezien alle reacties lijkt het me aardig de bespreking, hoewel het boek waarschijnlijk al lang niet meer te koop is, op deze plek opnieuw te plaatsen.

Laat ik maar beginnen met het slechtste boek dat ik in jaren heb gelezen: Norman Geisler en Frank L. Turek, Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn. De titel is niet grappig, maar serieus bedoeld. Volgens de auteurs kost het meer aan geloof om atheïst dan om christen te zijn. Intelligent Design pretendeert een wetenschapsrichting te zijn, maar heeft zich in de USA met het zwartst denkbare bijbels fundamentalisme verbonden. Daardoor blijkt ID geen wetenschapsrichting, maar een geloofsopvatting te zijn. Daarvan getuigt dit boek. In de Inleiding wordt al geponeerd dat de bijbel van kaft tot kaft historisch betrouwbaar is, alsof het om een geschiedenisboek zou gaan en niet om een reeks boeken vol menselijke ervaringen, die religieus zo boeiend zijn dat ik er na al die jaren nog door geboeid word. De auteurs hanteren een door hen zelf ontwikkelde methode om theorieën, waarmee zij het niet eens zijn, te weerleggen. Ze noemen die de Road Runner tactiek. Het gaat er om dat een theorie zichzelf weerspreekt, als zij niet aan haar eigen voorwaarden voldoet. In de praktijk komt het erop naar dat zij de theorie eerst zodanig versimpelen, dat die denkbeelden vervolgens inderdaad op die manier te weerleggen zijn. Dat doen zij bijvoorbeeld met de ideeën van David Hume. De lust ontbreekt mij om daar inhoudelijk op in te gaan. Het wordt alles zo simpel gemaakt.
De auteurs bestrijden een complex geheel van wetenschappelijke opvattingen, dat zij onder de noemer “darwinisme” onderbrengen. Uiteindelijk komt het er op neer dat zij twee wetenschappen onderscheiden: goede en slechte. In de laatste categorie brengen zij feitelijk alles onder wat niet Intelligent Design is. Dawkins bijvoorbeeld zou een slechte wetenschapper zijn. De auteurs maken het helemaal bont, als zij dragers van deze opvattingen samen met de voorstanders van abortus – over de in de USA nog steeds wettige doodstraf wordt niet geschreven – op één lijn stellen met Hitlers fascistische overtuiging.
Dan komt de bijbel aan bod. Die bevat dus niet anders dan historisch juiste feiten. Jezus heeft dit volgens hen zelf verkondigd. Ik heb altijd gedacht dat Jezus het Koninkrijk Gods als hier en nu gekomen verkondigde, maar daar hebben zij het niet over. Zijn boodschap van vrede en gerechtigheid, aansluitend op Tenach, het Oude Testament, komt evenmin ter sprake. In het Nieuwe Testament wordt volgens de auteurs vervuld wat in het Oude Testament is geprofeteerd, dus ook Jezus’ leven is geheel waar, zoals het in de evangeliën is beschreven. De verschillen tussen de synoptische evangeliën en het Evangelie naar Johannes komen niet ter sprake. Zij verwaarlozen ook de onder theologen algemeen gangbare opvatting dat de auteurs van de evangeliën in hun verhalen de lijn van het Oude Testament wilden voortzetten en dus teruggrepen op dat Oude Testament. Het jodendom is volgens hen dan ook een onvolkomen godsdienst.
Een uitlating als “… en vaak zetten ze zichzelf neer als volslagen debielen …” (p. 348) is buitengewoon grof en als zodanig ongewenst. Over mensen met een geestelijke handicap spreken we anders en we gebruiken de aanduiding voor hun handicap niet als scheldwoord. Wat ook grof is, is de insinuatie op p. 469. De auteurs noemen theologen die een andere opvatting over de historische juistheid van de bijbel critici. Op zichzelf is dit al aanvechtbaar. Maar de auteurs insinueren dat die “critici” in hun hart wel beter weten, maar dat ze, als ze hun hart zouden volgen, hun makkelijke leventje volgens fundamentalistische normen zouden moeten inrichten. Dat willen ze niet en daarom blijven ze hun opvattingen verkondigen. Dat is toch ongehoord!
Zo gaat het in dit boek 515 bladzijden door op een betweterige en gelijkhebberige toon. Zonde van mijn tijd was het om dit allemaal te lezen. Overigens: wie niet gelooft in de opvattingen van de auteurs, komt gegarandeerd in de hel. We zijn gewaarschuwd….. het gaat in dit boek om de letter en niet om de geest, om de leer en niet om het leven. Het is een verschrikkelijk boek. Voorstanders van abortus en euthanasie zijn volgelingen van Hitler, aldus de auteurs.
Tot mijn grote verbazing staat op de achterflap een aanbeveling van prof. Dr. Cees Dekker, hoogleraar moleculaire biofysica aan de TU Delft. Hij schrijft daar o.a.: “Geisler en Turek argumenteren dat een christelijk wereldbeeld een veel betere beschrijving geeft van de werkelijkheid dan een atheïstische visie, een stelling waar ik van harte mee instem. Ik kan het boek aanraden voor christenen die hun geloof rationeel beter willen onderbouwen, maar zeker ook aan de sceptische atheïst die meent dat de wetenschap God allang heeft wegverklaard.” Afgezien van het feit dat ik tussen “al” en “lang” en “weg” en “verklaard” spaties zou aanbrengen, moet mij toch van het hart dat Cees Dekker zijn integriteit als wetenschapper, zowel als zijn geloofwaardigheid als mens op de tocht zet. Zo’n zwart fundamentalistisch boek met zulke eenzijdige bewijsvoeringen kun je toch met goed fatsoen niet aanbevelen. Zou Cees Dekker werkelijk Dawkins als slechte wetenschapper beschouwen? Zou hij werkelijk geloven dat God op Jozua’s verzoek zon en maan een paar uur stil liet staan? Hoe zit het dan met de rotatie van de aarde? Nee, voor mij heeft Cees Dekker afgedaan.


zaterdag 17 mei 2014

John Piper, Verlangen naar God. Overdenkingen van een christenhedonist



Ik kreeg een boek in handen gespeeld dat ik moest lezen. Nu is de combinatie christendom en hedonisme al vreemd: Aristippus van Cyrene beschouwde het lustgevoel als het hoogste goed voor de mens. In het hedonisme wordt het zinnelijk genot als richtsnoer voor het handelen genomen. Dat is dus een puur aardse beleving. Piper draait het paganistische begrip hedonisme volledig om en maakt er een christelijk principe van. Het doel van de dienst aan God en mens is te genieten van deze dienst. Daarmee wordt het belangeloze principe van God dienen aardig in het nauw gebracht. Vooral als de auteur het over I Kor. 13 heeft, krijgt hij problemen. Hij moet al zijn redeneervermogens gebruiken om uit de problemen te komen en toch “De liefde zoekt zichzelf niet” in zijn straatje te passen. Hij is volop orthodox dogmatisch. Nu heb ik daar op zichzelf niets op tegen, maar deze man weet alles zo goed. Zelfs op de vraag naar het kwaad in de wereld draait hij een antwoord uit zijn retorische molen. Het lijkt wel, alsof de Bijbel geschreven is om hem van argumenten te voorzien, elke bladzijde wemelt van de bijbelteksten die hij gebruikt om zijn gelijk te halen. Van de theologische wetenschap maakt hij geen gebruik. Hij haalt auteurs aan, die ik geen van allen ken, op C.S. Lewis na. Vooral ene Jonathan Edwards heeft een geweldige indruk op hem gemaakt. De spreuk die hij enkele keren afdrukt, geeft zijn kernthema weer: Het hoogste doel van de mens is God verheerlijken door eeuwig van hem te genieten.


maandag 12 mei 2014

Gerhard Vollmer, Auf der Suche nach der Ordnung

Vollmer is natuurkundige en filosoof. Die Ordnung zoekt hij dan ook in de natuur, maar ook in de filosofie. Hij is naturalist, d.w.z. dat hij geen mogelijkheid tot transcendentie kan of wil aannemen. Hij schrijft haast populair-wetenschappelijk, is weliswaar grondig, maar ook helder. Hij gaat uitvoerig in op de vraag of er ordening in de chaos mogelijk is. In hoofdstuk 2 kadert hij het begrip naturalisme in. Hoofdstuk 3 is heel aardig, het begint met de drie affronten voor de mensheid (Copernicus, Darwin en Freud, maar komt dan met zes nieuwe affronten. Dat is eigenlijk een bewijs voor het feit dat de wetenschap zo snel in korte tijd is gevorderd. Hoofdstuk 4 is een bespreking van het holisme, dat hij scherp afwijst. Hoofdstuk 5 is misschien nog het moeilijkste hoofdstuk en bespreekt de grenzen van de ervaring, om uiteindelijk bij het antropische principe uit te komen. Hoofdstuk 6 is zeer interessant, gaat over algorithmen, geheugen, computer, in hoeverre zij wel kunnen wat de mens niet kan en andersom, bespreekt de Turingmachine en de these van Church. Zeer interessant èn bevattelijk. In hoofdstuk 7 beschrijft hij de grondslagen van zijn atheïsme en bespreekt hiervoor o.a. de godsbewijzen en zijn argumenten om die af te wijzen. Mijn vriend Geurt gaf in Atomium aan bij zijn bespreking van dit boek, dat Vollmer bedoelt: er zijn die en die feiten en dus ben ik atheïst, maar dat hij eigenlijk beschrijft: ik ben atheïst en dus….


maandag 5 mei 2014

Frans Kellendonk, Mystiek lichaam

Vooraf

Deze bespreking is verouderd. Ik plaats die toch, omdat de discussie over dit boek een literair-historische waarde heeft.

Als ik de eigenlijke bespreking van Frans Kellendonk, Mystiek lichaam. Een geschiedenis. heb voltooid, ga ik nog in op de beschuldigingen van homofobie en antisemitisme.

 De beschuldiging van homofobie is haast niet serieus te nemen. Kellendonk was zelf homofiel en beschrijft in Leendert een homo, zoals ik vanavond al eerder vertelde: ironiserend, in dit geval eigenlijk met zelfironie, en karikaturaal. Ik vind het schrijnend dat hij door onkunde – wie wist toen iets van aids af? – besmet wordt en dat hij later in Nederland een mooie, blonde jongen besmet door bij het zwemmen met hem te vrijen. Dit boek is een tijdsdocument van de fase waarin aids alle kans kreeg zich te verspreiden door de onkunde van mensen.

Aad Nuis heeft in een recensie de beschuldiging van antisemitisme geuit. Hij kreeg nogal wat medestanders: Robert Anker, Jan Mulder, Wim de Bie, Carel Peeters (die aanvankelijk een positieve recensie schreef en een half jaar later in een nieuwe bespreking Aad Nuis bijviel). Een auteur kan zich altijd gemakkelijk verdedigen: hij is niet verantwoordelijk voor wat een personage in zijn boek zegt. Daar kwam Hermans voor de rechter mee weg (in Ik heb altijd gelijk laat hij een hoofdpersoon op de “roomsen” afgeven die maar aan fokken en zo de meerderheid in Nederland zullen krijgen) en onlangs ook Houellebecq (die in Plateforme de terroristische islam door de hoofdpersoon scherp laat aanvallen). Maar ik maak me sterk dat zowel Hermans als Houellebecq stilletjes plezier hadden in die uitspraken. Bij Kellendonk ligt dit heel anders. Je kunt Gijselhart en zijn uitspraken niet serieus nemen. Hij is een mensenhater, een Grübler, een vrek, hij is een karikatuur. Daarom laat hij zich antisemitisch over Bruno Pechman uit, de Joodse verwekker van zijn kleinzoon Victor, die tot overmaat van ramp met 35.000 van Magda geleende guldens naar Zwitserland is vertrokken. Als Pechman eenmaal is gearriveerd, sluiten hij en Gijselhart vrede en worden ze de beste maatjes. Gijselharts antisemitisme verdwijnt als sneeuw voor de zon. Aad Nuis heeft zich ontpopt als een domme lezer, die niet in staat blijkt literaire ironisering te doorzien. Hij hield trouwens wel van een forse rel. Zo heeft hij bijvoorbeeld ook de discussie rondom Friedrich Weinreb tot vervelens toe voortgezet. Het is gênant voor Anker, De Bie en Peeters dat zij zijn kritiek hebben overgenomen. Mulder laat ik maar achterwege. Je kunt bij Barend en Van Dorp zien hoe de man zich over niets verschrikkelijk opwindt.


maandag 28 april 2014


Gerrit ten Berge, Stap voor stap: de weg van Jezus gaan. Ark Media,2014,  € 19,95

 

Vorig jaar kreeg ik dit boek zo kort voor Pasen in handen dat ik het niet meer voor K&S kon bespreken. Dus heb ik het maar tot dit jaar laten liggen.

De auteur heeft al heel wat boeken geschreven. Hij geeft les op een school in IJsselmuiden en is waarschijnlijk lid van de Gereformeerde Bond, want hij ontwikkelt catechesemateriaal voor de H(ervormd) G(ereformeerde J(eugd) B(ond). Dat is ook wel te merken, want in dit boek valt een heel zwaar accent op zonde en schuld.

Het mooiste in dit boek zijn de illustraties van zijn twee kinderen. De auteur heeft zich laten inspireren door de kruisstaties in de R.-K. Kerk, houdt zich aan het getal 14, maar in de Epiloog, 15, komt de opstanding ter sprake. Hij begint wat eerder dan de kruisstaties, namelijk bij Jezus’ aanzegging van zijn lijden en sterven in Matth. 16. Bijbelgedeelten vormen het uitgangspunt van zijn meditaties. Hij plaatst dze in de vertaling van de NBV, die alle dubbel gelaagde begrippen heeft weg vertaald.

Bijbels-theologisch valt er nogal wat aan te merken op dit boek. Matth. 17,1 1 heeft een tijdsaanduiding. Maar Ten Berge stelt zich en ons niet de vraag: ‘Zes dagen waarna’? Nergens in het voorafgaande staat een tijdsaanduiding. Lucas 9,28 vermeldt acht dagen “na deze woorden”, namelijk de belijdenis van Petrus. Er staan interessante mogelijkheden tot verklaring op internet, maar nogmaals: voor Ten berge was dit geen vraag. Het kruiswoord: “Het is volbracht!”brengt hij niet in verband met Ps. 22, 32, terwijl dit toch zo voor de hand ligt.

Op p. 35 poneert Ten Berge dat de honderden geboden door de “godsdienstleraren” bedacht zijn. Hij had beter kunnen schrijven dat de schriftgeleerden die uit Tora hebben gedestilleerd. Ook schrijft hij dat de Joden geen doodvonnis mochten vellen, maar ik lees dit eigenlijk nergens in de evangeliën. Stefanus is wel degelijk ter door veroordeeld en gestenigd zonder tussenkomst van de Romeinen. Dat volgens de evangelisten Jezus naar Pilatus is gebracht, zou ook te maken kunnen hebben met de anti-judaïstische beschuldiging als zou de dood van Jezus aan ‘de’ Joden te wijten zijn. Wat Ten Berge op p. 87 schrijft, gaat trouwens wel heel ver. Hij komt daar heel dicht in de buurt van juist dit gegeven, de Joden zouden door Jezus te hebben gedood alle latere ellende over zich hebben uitgestort. Dat Pilatus Jezus weer zou hebben overgeleverd aan de Joden (p. 82) past in deze bewering, maar klopt van geen kant.

Ten Berge legt een heel zwaar accent op zonde en schuld. Kort samengevat: Jezus’ lijden en sterven had tot doel de zonden van de mensen te verzoenen. Andere theologische opvattingen kent hij niet. Hij legt ook zwaar de nadruk op persoonlijke beleving met vragen als: “Ken jij trouwens die ervaring ook? Dat het soms even voelt alsof de hemel op aarde is gekomen?” Volgen nog drie belevingsvragen achter elkaar.

Ik zou nog veel meer kunnen schrijven, maar de plaatsruimte belet mij dit weer. Daarom tot slot: dit is niet mijn religie.

 

vrijdag 18 april 2014


Bettine Siertsema (red.), De verhalen rond de aartsvaders, Kok, Kampen, 1995


 U moet het me maar niet kwalijk nemen dat ik soms een oud(er) boek kies. Ik heb nogal wat boeken in mijn kast staan, die ik kocht om ze te lezen, maar die bleven liggen, omdat andere zaken of boeken voorgingen. Dat wil niet zeggen dat ze niet de moeite waard zijn. Dit blijkt ook weer uit de bovenstaande titel. Die verhalen worden besproken, niet voor de vuist weg, maar nauwgezet en na zorgvuldig lezen en vertalen. Dat is de enige manier waarop je de christelijke traditie kunt voortzetten. In je kindertijd worden je de verhalen verteld, als je ouder wordt, komen de vragen. Je kunt er zo een aantal noemen.
Ik noem een aantal voorbeelden:
Abraham en Sodom: is God inderdaad een God die mensen verdelgt als ongedierte?
De binding van Isaak (Aqedat Jitschaq): wat heeft God ermee voor een mens, een vader, zo te kwellen? (Sara blijft in het hele verhaal uit zicht, ook al iets vreemds.)
Jakob aan de Jabbok: met wie vecht hij nu eigenlijk?
Jakob en Esau: Wat heeft Jakob mee, dat hij ondanks zijn bedrog zo bevoordeeld wordt?
Juda en Tamar: Wat heeft het voor zin om zo’n scabreus verhaal in een boek over God en mensen op te nemen?

Een keur van schrijvers exegetiseert de verhalen en gaat hierbij de moeilijke vragen niet uit de weg. In het totaal worden negen verhalen besproken, waarbij de binding van Isaak drie keer door even zoveel auteurs wordt behandeld. Er zijn boekenkasten vol geschreven over dit onderwerp, zoekend en tastend proberen de auteurs verder te komen en het laatste woord is er niet over gezegd, ook niet in dit boek. Dit zal ook wel nooit gebeuren.
Een verklaring van de boven genoemde vragen komt er niet altijd. Als dit niet gebeurt, is het verhaal met een andere verkondiging verteld. Als wij vanuit de eenentwintigste eeuw de vraag naar de toornende God stellen, moeten wij bedenken dat dit verhaal in een andere Sitz im Leben is verteld. Hier staat de toekomst centraal, Sara wordt een zoon beloofd, voor Lot is er een weg door de catastrofe heen naar een nieuwe toekomst. Dat zijn dochters op een wat incestueuze wijze hierbij worden ingeschakeld, slaat Karel Deurloo, de exegeet van dit verhaal, niet over. Hij erkent in een voetnoot dat dit aanstotelijk is, maar dat hun gedrag de weg naar een nieuwe toekomst opent. Hij besluit als vader van twee dochters met onderkoelde humor als volgt: “Zeker, ook dat is geen verhaal dat wil aanmoedigen tot aktuele praktische toepassing.”
In de maand april overleed Rudolf Boon. Hij is een van de auteurs die voor het verhaal van Abraham en Isaak zijn ingeschakeld. Ik besprak zijn laatste boek in deze rubriek, Ons cultureel draagvlak. Een prachtig betoog dat getuigt van een brede kennis van cultuur en religie. Ik vroeg hem naar aanleiding van dit boek naar zijn kaartsysteem, dat moest wel immens groot zijn, veronderstelde ik. Nee, hij had er geen. Dat impliceerde dat hij een ontzagwekkende hoeveelheid kennis in zijn geheugen had opgeslagen. Ook als je wilt citeren, moet je weten in welk boek en op welke pagina je de gezochte passage kunt vinden. “Jammer, dat al die kennis nu verloren is gegaan,” zei een ander lid van Atomium mij. Hij kwam er nog wel eens tot voor een paar jaar geleden. Een fragiele, breekbare man, maar uiterst alert en helder.
Hij besprak in dit artikel het bindingsverhaal in de christelijke en de Joodse geloofsreflectie. Albert van der Heide besluit zijn bespreking van dit verhaal als volgt: “In tijden waarin men het martelaarschap kon ervaren als iets waaraan, ondanks alle leed en pijn, uiteindelijk een zin kon worden toegeschreven, was dit voorbeeld van de aartsvaders een bron van troost. Maar ook in een tijd waarin de zin van het martelaarschap velen ontgaat en het leed niet als zinvol wordt ervaren wanneer het martelaarschap wordt genoemd, lijkt de kracht van het verhaal nog niet uitgeput.”
Juda en Tamar. Thuis werd het verhaal aan tafel niet gelezen, maar in de kerk las ik dit  en andere erotische Bijbelgedeelten tijdens de slaapverwekkende preken met rode oortjes. Juda heeft bij de verdwijning van Jozef geen fraaie rol gespeeld. Maar in dit verhaal blijkt hij tot inzicht te zijn gekomen. Als zijn schoondochter hem op deze schokkende wijze confronteert met zijn niet ingeloste beloften, wordt hij niet kwaad, maar erkent hij openlijk dat zij gelijk heeft. Juda is bekeerd, hij belijdt en herkent de rechtvaardigheid van Tamar en hij leert van haar handelwijze. Anders dan bij Jozef het geval was, komt hij voor Benjamin, nu de oogappel van vader Jakob, op en wil hij diens plaats in de gevangenis innemen.  Nette Falkenburg exegetiseert zo dit voor mij als kind zo scabreuze verhaal.
De rest moet ik u onthouden. De ruimte is gevuld. U houdt nu zelf nog wat te lezen over. Veel genoegen ermee!

Wim Kleisen

donderdag 10 april 2014

Drewermann, Eugen, Als de goden sterren waren…


De auteur, theoloog en psychotherapeut, heeft zich een indrukwekkende hoeveelheid kennis op het gebied van kosmologie en natuurwetenschap verworven. Daarvan geeft hij blijk in de eerste 100 bladzijden van dit boek. Daarna komt de vraag naar de religie aan de orde. Daarbij plaatst hij belangwekkende opmerkingen. God is volgens hem binnen dit wetenschappelijke kader niet te bewijzen. De gehele traditionele christelijke voorstellingswereld is niet vol te houden. Maar met het evangelie van Johannes wordt de menselijke vraag naar religie en zijn ervaring van liefde reëel. Die ervaring wordt in het absolute gesteld en de liefde wordt als God benoemd. Toch de wereld als schepping opvatten is mogelijk door het op te vatten als een vorm van vermenselijking van ons bestaan als mensen. De auteur wil God niet bewijzen, maar als existentiële ervaring van liefde aan de orde stellen. Elke poging om een theodicee te formuleren wijst hij resoluut af. Dit boek is een uitdaging om het christelijk geloof een nieuwe inhoud te geven. In het gesprek over wetenschap en geloven kun je niet om dit boek heen.