vrijdag 18 april 2014


Bettine Siertsema (red.), De verhalen rond de aartsvaders, Kok, Kampen, 1995


 U moet het me maar niet kwalijk nemen dat ik soms een oud(er) boek kies. Ik heb nogal wat boeken in mijn kast staan, die ik kocht om ze te lezen, maar die bleven liggen, omdat andere zaken of boeken voorgingen. Dat wil niet zeggen dat ze niet de moeite waard zijn. Dit blijkt ook weer uit de bovenstaande titel. Die verhalen worden besproken, niet voor de vuist weg, maar nauwgezet en na zorgvuldig lezen en vertalen. Dat is de enige manier waarop je de christelijke traditie kunt voortzetten. In je kindertijd worden je de verhalen verteld, als je ouder wordt, komen de vragen. Je kunt er zo een aantal noemen.
Ik noem een aantal voorbeelden:
Abraham en Sodom: is God inderdaad een God die mensen verdelgt als ongedierte?
De binding van Isaak (Aqedat Jitschaq): wat heeft God ermee voor een mens, een vader, zo te kwellen? (Sara blijft in het hele verhaal uit zicht, ook al iets vreemds.)
Jakob aan de Jabbok: met wie vecht hij nu eigenlijk?
Jakob en Esau: Wat heeft Jakob mee, dat hij ondanks zijn bedrog zo bevoordeeld wordt?
Juda en Tamar: Wat heeft het voor zin om zo’n scabreus verhaal in een boek over God en mensen op te nemen?

Een keur van schrijvers exegetiseert de verhalen en gaat hierbij de moeilijke vragen niet uit de weg. In het totaal worden negen verhalen besproken, waarbij de binding van Isaak drie keer door even zoveel auteurs wordt behandeld. Er zijn boekenkasten vol geschreven over dit onderwerp, zoekend en tastend proberen de auteurs verder te komen en het laatste woord is er niet over gezegd, ook niet in dit boek. Dit zal ook wel nooit gebeuren.
Een verklaring van de boven genoemde vragen komt er niet altijd. Als dit niet gebeurt, is het verhaal met een andere verkondiging verteld. Als wij vanuit de eenentwintigste eeuw de vraag naar de toornende God stellen, moeten wij bedenken dat dit verhaal in een andere Sitz im Leben is verteld. Hier staat de toekomst centraal, Sara wordt een zoon beloofd, voor Lot is er een weg door de catastrofe heen naar een nieuwe toekomst. Dat zijn dochters op een wat incestueuze wijze hierbij worden ingeschakeld, slaat Karel Deurloo, de exegeet van dit verhaal, niet over. Hij erkent in een voetnoot dat dit aanstotelijk is, maar dat hun gedrag de weg naar een nieuwe toekomst opent. Hij besluit als vader van twee dochters met onderkoelde humor als volgt: “Zeker, ook dat is geen verhaal dat wil aanmoedigen tot aktuele praktische toepassing.”
In de maand april overleed Rudolf Boon. Hij is een van de auteurs die voor het verhaal van Abraham en Isaak zijn ingeschakeld. Ik besprak zijn laatste boek in deze rubriek, Ons cultureel draagvlak. Een prachtig betoog dat getuigt van een brede kennis van cultuur en religie. Ik vroeg hem naar aanleiding van dit boek naar zijn kaartsysteem, dat moest wel immens groot zijn, veronderstelde ik. Nee, hij had er geen. Dat impliceerde dat hij een ontzagwekkende hoeveelheid kennis in zijn geheugen had opgeslagen. Ook als je wilt citeren, moet je weten in welk boek en op welke pagina je de gezochte passage kunt vinden. “Jammer, dat al die kennis nu verloren is gegaan,” zei een ander lid van Atomium mij. Hij kwam er nog wel eens tot voor een paar jaar geleden. Een fragiele, breekbare man, maar uiterst alert en helder.
Hij besprak in dit artikel het bindingsverhaal in de christelijke en de Joodse geloofsreflectie. Albert van der Heide besluit zijn bespreking van dit verhaal als volgt: “In tijden waarin men het martelaarschap kon ervaren als iets waaraan, ondanks alle leed en pijn, uiteindelijk een zin kon worden toegeschreven, was dit voorbeeld van de aartsvaders een bron van troost. Maar ook in een tijd waarin de zin van het martelaarschap velen ontgaat en het leed niet als zinvol wordt ervaren wanneer het martelaarschap wordt genoemd, lijkt de kracht van het verhaal nog niet uitgeput.”
Juda en Tamar. Thuis werd het verhaal aan tafel niet gelezen, maar in de kerk las ik dit  en andere erotische Bijbelgedeelten tijdens de slaapverwekkende preken met rode oortjes. Juda heeft bij de verdwijning van Jozef geen fraaie rol gespeeld. Maar in dit verhaal blijkt hij tot inzicht te zijn gekomen. Als zijn schoondochter hem op deze schokkende wijze confronteert met zijn niet ingeloste beloften, wordt hij niet kwaad, maar erkent hij openlijk dat zij gelijk heeft. Juda is bekeerd, hij belijdt en herkent de rechtvaardigheid van Tamar en hij leert van haar handelwijze. Anders dan bij Jozef het geval was, komt hij voor Benjamin, nu de oogappel van vader Jakob, op en wil hij diens plaats in de gevangenis innemen.  Nette Falkenburg exegetiseert zo dit voor mij als kind zo scabreuze verhaal.
De rest moet ik u onthouden. De ruimte is gevuld. U houdt nu zelf nog wat te lezen over. Veel genoegen ermee!

Wim Kleisen

Geen opmerkingen:

Een reactie posten